
Van open belofte naar gesloten platforms - en weer terug?
Er was een moment waarop het internet voelde als een collectieve belofte. In de late jaren negentig en vroege jaren 2000 ontstond een golf van nieuwe digitale praktijken: bloggen, wiki’s, open source software en later podcasting. Niet gedreven door winstmodellen, maar door de simpele mogelijkheid om te publiceren, te delen en samen te bouwen. Iedereen kon meedoen, zonder toestemming van redacties, omroepen of platformeigenaren.
Ik heb het hier over de vroege, pre-commerciële fase van wat later Web 2.0 zou gaan heten. Deze periode werd gekenmerkt door een diep geloof in participatie. De gebruiker stond (nog) niet centraal als consument, maar als deelnemer. Technologie leek ruimte te openen voor nieuwe vormen van samenwerking, democratisering en sociale verandering.
Die belofte rustte niet op idealisme alleen, maar op een concrete combinatie van voorwaarden. De kracht van het internet lag in open infrastructuren: gedeelde protocollen en standaarden zoals e-mail, RSS en blogs maakten publicatie breed toegankelijk. Gemeenschappen konden zich organiseren zonder voorafgaande toestemming, en samenwerking ontstond vanuit gedeelde belangen en betrokkenheid, niet vanuit vooraf vastgelegde marktrelaties of hiërarchieën.
Wat hier zichtbaar werd, was een reëel maatschappelijk potentieel. Dat potentieel is in de loop van de tijd niet verdwenen, maar verschoven en ingekapseld. De mogelijkheden om te publiceren, te verbinden en samen te werken bleven bestaan, maar verplaatsten zich van open infrastructuren naar private platforms. Gemeenschapslogica maakte plaats voor gebruikerslogica; collectieve verbanden werden omgebogen naar accounts, volgers en engagement. Participatie bleef bestaan, maar werd opgenomen in economische modellen die bepaalden onder welke voorwaarden zij mogelijk was.
Wat begon als een open speelveld, werd zo stap voor stap omgevormd tot een commerciële, gesloten platformeconomie. Niet omdat technologie daartoe dwong, maar omdat keuzes over infrastructuur, eigendom, economie en ontwerp deze richting op stuurden.
Om te begrijpen hoe deze verschuiving heeft kunnen plaatsvinden - en waarom het ook (weer) anders kan - is een meervoudige analyse nodig. Niet één oorzaak, maar meerdere lagen bepalen hoe macht in het digitale domein werkt: hoe zij mogelijk wordt gemaakt, verdeeld, bestendigd en ervaren. Deze lagen kennen elk hun eigen keuzeruimtes: van centrale of open protocollen, via economische logica’s en vormen van governance, tot ontwerpkeuzes die gedrag sturen of juist faciliteren.
Macht mogelijk maken: protocollen
Elke digitale toepassing rust op netwerkprotocollen: afspraken die bepalen hoe computers met elkaar communiceren. Protocollen zijn geen neutrale technische details. Ze leggen vast waar controle kan liggen, wie kan deelnemen en of toestemming vooraf nodig is.
Centrale protocollen concentreren macht; decentrale en federatieve protocollen verdelen haar. Het klassieke voorbeeld is e-mail: dankzij open protocollen kan iedereen mailen tussen verschillende aanbieders of een eigen server draaien. Niemand hoeft toestemming te vragen aan één dominante partij.
Het internet zelf is gebouwd op zo’n keuze. In de jaren zeventig en tachtig bestond er een fundamentele strijd tussen verschillende visies op netwerkarchitectuur. Overheden en grote instituties werkten aan centraal beheersbare modellen. Daartegenover stond een losse coalitie van academici en ingenieurs die een open alternatief ontwikkelden: TCP/IP. Juist omdat dit protocol geen centrale autoriteit vereiste, kon het zich verspreiden en uitgroeien tot de ruggengraat van het internet.
Volgens technologisch pionier Evan Henshaw-Plath (Rabble) laat juist deze geschiedenis zien dat netwerkprotocollen nooit neutraal zijn. In hun ontwerp ligt al besloten hoe macht, toegang en samenwerking worden georganiseerd. Protocollen functioneren daarmee als een soort grondwet: ze bepalen niet wat er gebeurt, maar wel wat überhaupt mogelijk is.
Macht verdelen: governance
Open protocollen maken veel mogelijk, maar bepalen nog niet wie zeggenschap heeft. Die vraag wordt beantwoord op het niveau van eigendom en governance. Wie beheert de infrastructuur? Wie stelt de regels vast? Wie beslist over doorontwikkeling?
Hier laat zich een structurele spanning zien tussen drie samenlevingsvisies. Marktlogica richt zich op privatisering en schaal. De staat stuurt op beheersbaarheid, veiligheid en standaardisering. Commons draaien om gedeeld eigenaarschap, collectief bestuur en zorg voor de lange termijn.
Een cruciale les uit de geschiedenis van sociale media is dat open technologie zonder commons-instituties kwetsbaar is. Veel Web-2.0-diensten gebruikten open protocollen, maar werden privé-eigendom. Zeggenschap bleef bij aandeelhouders, niet bij gebruikers of gemeenschappen. Daarmee verschoof macht structureel weg van het collectief.
Macht bestendigen: economie
Macht wordt duurzaam wanneer zij economisch wordt verankerd. In de vroege internetfase ontbraken stabiele financieringsmodellen voor commons-achtige infrastructuren. Wat wel schaalde, waren advertentie- en datamodellen.
Daarmee werd participatie een productiefactor. Data-extractie en gedragssturing boden een antwoord op de vraag hoe platforms konden groeien en renderen. Niet omdat dit wenselijk was, maar omdat alternatieven nauwelijks bestonden of onvoldoende werden ondersteund.
Zoals commons-denker David Bollier benadrukt, is de markt op zichzelf niet onverenigbaar met commons. Wat problematisch is, is een kapitalistische marktlogica die gericht is op voortdurende groei, kapitaalaccumulatie en extractie. Commons functioneren juist bij economische vormen die waardecreatie verbinden aan zorg voor de infrastructuur, wederkerigheid en begrensde schaal.
Het probleem van sociale media was dan ook niet dát zij economische modellen ontwikkelden, maar dát vrijwel alle alternatieven werden verdrongen door één dominante logica: advertentie-gedreven groei en data-extractie. Zo werd een specifieke (kapitalistische) samenlevingsvisie bestendigd: maximale schaal, maximale winst en minimale collectieve sturing.
Macht ervaren: interfaces
Macht wordt ten slotte ervaren op het niveau van ontwerp. Interfaces, feeds, likes, notificaties en rankings bepalen hoe mensen het internet dagelijks beleven. Ze sturen aandacht, belonen bepaald gedrag en ontmoedigen ander gedrag.
Deze ontwerpkeuzes zijn geen bijzaak. Ze maken abstracte machtsverhoudingen concreet en voelbaar. Ze verklaren waarom participatie in sociale media vaak gepaard gaat met verslaving, polarisatie en verlies van autonomie.
Podcasting als bewijs dat het anders kan
Tegen deze achtergrond is podcasting een belangrijk en concreet tegenvoorbeeld. Podcasting is niet zomaar een ander medium, maar een andere configuratie van macht op alle vier de lagen die hiervoor zijn onderscheiden.
Op het niveau van macht mogelijk maken is podcasting gebaseerd op open netwerkprotocollen, met name RSS. Deze infrastructuur maakt het mogelijk om audio te publiceren en te distribueren zonder centrale toestemming. Iedereen kan een podcast beginnen, en luisteraars kiezen zelf via welke app of dienst zij luisteren. Interoperabiliteit is hier geen extra functie, maar het uitgangspunt.
Ook op het niveau van macht verdelen wijkt podcasting af van dominante sociale media. Er is geen eigenaar van “het podcastplatform” als geheel. Hosting, distributie en beluistering zijn gescheiden functies, uitgevoerd door verschillende partijen. Makers behouden zeggenschap over hun inhoud en zijn niet afhankelijk van één centrale partij die de spelregels bepaalt.
Wat betreft macht bestendigen kent podcasting een ander economisch profiel. Er is geen dominant advertentie- of surveillancemodel dat het hele ecosysteem structureert. Verdienmodellen zoals sponsoring, donaties of abonnementen bestaan, maar zijn aanvullend en divers. Daardoor is schaal geen noodzakelijke voorwaarde voor bestaansrecht en blijft ruimte bestaan voor niches en gemeenschappen.
Ten slotte wordt macht bij podcasting ook anders ervaren. Er zijn geen algoritmische feeds die aandacht sturen, geen likes of rankings die zichtbaarheid bepalen. Luisteren is doorgaans een bewuste keuze, geen reactie op notificaties. Dat maakt de relatie tussen maker en luisteraar directer, rustiger en minder manipulatief.
Podcasting is daarmee niet automatisch een commons, maar wel een commons-compatibele technologie. Het laat zien dat wanneer protocollen open blijven, eigendom en governance niet gecentraliseerd zijn, economische druk beperkt is en ontwerpkeuzes niet op gedragssturing zijn gericht, het oorspronkelijke potentieel van het internet zichtbaar en leefbaar blijft.
De inzet van nu: AI en de heropening van het speelveld
Volgens Rabble staan we opnieuw op een kantelpunt. Kunstmatige intelligentie groeit uit tot een nieuwe basislaag van onze samenleving. Steeds vaker zullen kennis, werk en besluitvorming op deze technologie steunen.
De vraag is daarom niet of AI ons leven ingrijpend zal veranderen, maarhoewe deze technologie organiseren. Als AI zich ontwikkelt langs dezelfde lijnen als sociale media - als gesloten, commerciële platforms - dan herhaalt zich een bekend patroon. Maar als AI wordt opgevat als gedeelde infrastructuur, met open standaarden, publieke spelregels en ruimte voor collectief beheer, ontstaat er opnieuw een ander perspectief.
Juist nu is dat onderscheid van groot belang. AI wordt niet ontwikkeld in een vacuüm, maar in een wereld waarin macht, technologie en ideologie steeds nauwer met elkaar verweven raken. Dat maakt de beslissingen die nu worden genomen extra bepalend. Wat vandaag wordt vastgelegd in systemen, standaarden en verdienmodellen, werkt morgen door in hoe informatie circuleert, hoe besluiten tot stand komen en wie daar invloed op heeft.
Voor Europa betekent dit dat AI meer is dan een technologisch of economisch dossier. Het is een maatschappelijke keuze. Niet alleen over concurrentiekracht, maar over de waarden die we willen laten doorklinken in onze digitale infrastructuur: openheid, samenwerking, publieke zeggenschap en democratische weerbaarheid.
De geschiedenis van sociale media laat zien dat dit niet vanzelf gaat. Open technologie alleen is niet genoeg. Zonder bewuste keuzes over eigendom, bestuur en financiering verschuift macht steeds opnieuw naar waar schaal en kapitaal domineren.
Maar die geschiedenis laat ook iets anders zien: dat het anders kan. De toekomst van het digitale domein ligt niet vast. Ze wordt gevormd door keuzes die mensen, instituties en samenlevingen maken. De belofte van het internet is niet verdwenen. Ze is uitgesteld en wacht nu op een grondig Europees herontwerp van de digitale infrastructuur.
