
Europa: speler of inzet?
Over macht, moraal en autonomie in een nieuwe wereldorde
Wat zegt het over een politieke gemeenschap wanneer zij moreel scherp ziet wat er misgaat, maar niet in staat is daar consequent naar te handelen? Die vraag dringt zich steeds sterker op in Europa. Niet als filosofisch probleem, maar als politieke realiteit.
De recente Amerikaanse operatie in Venezuela, waarbij president Nicolás Maduro werd ontvoerd, riep in Europa vooral verbazing en ongemak op. De reactie van Europese leiders was voorzichtig, bijna stil. Dat leidde tot kritiek: waarom bleef een harde veroordeling uit? Waarom geen krachtig Europees geluid?
Wie die vraag stelt, raakt aan een dieper probleem. Niet alleen aan morele moed, maar aan macht, afhankelijkheid en het verlies van handelingsruimte. Om dat te begrijpen, is de morele lens van Jane Goodall verhelderend.
Intellect zonder morele bedding
Goodall stelde al decennia geleden een ongemakkelijke diagnose. Mensen zijn niet fundamenteel anders dan andere dieren; het verschil is er een van schaal. Ons intellect is explosief gegroeid, maar onze morele vermogens - compassie, verantwoordelijkheid, zorg - zijn niet in hetzelfde tempo meegeëvolueerd. Denken raakt los van voelen. Macht raakt los van zorg.
Goodall vatte die paradox ooit scherp samen: we zijn in staat om raketten naar Mars te sturen, maar kunnen niet in harmonie leven met elkaar en met de planeet die ons draagt. Technologische perfectie wordt bewonderd, terwijl morele tekorten blijven bestaan.
Die diagnose is opvallend herkenbaar in de analyse van defensiespecialist Anders Puck Nielsen over de Amerikaanse operatie in Venezuela. Nielsen wijst op de militaire perfectie van de actie: grootschalig, strak gecoördineerd, zonder slachtoffers aan Amerikaanse zijde. Tegelijkertijd laat hij zien dat juist die perfectie een leegte verhult. Strategisch, juridisch en moreel is het onduidelijk wat hier gebeurt en waarom: maximaal technologisch vermogen, minimaal moreel kader.
Morele ontkoppeling als systeemprobleem
Morele crises komen zelden voort uit individuele slechtheid. Ze ontstaan waar systemen zo zijn ingericht dat handelen mogelijk is zonder empathische terugkoppeling. Waar beslissers niet worden geconfronteerd met de menselijke, ecologische of sociale gevolgen van hun keuzes.
Dat patroon zien we terug in de Amerikaanse besluitvorming. De operatie in Venezuela werd uitgevoerd zonder goedkeuring van het Congres, in strijd met internationaal én nationaal recht. Checks and balances functioneren niet meer zoals bedoeld. Buitenlands beleid wordt persoonlijk, impulsief en onvoorspelbaar.
Dit is morele ontkoppeling op systeemniveau: instituties verliezen hun normatieve ankers, terwijl actoren die andere waarden hanteren - waarin macht, loyaliteit en efficiëntie zwaarder wegen dan democratische begrenzing en rechtsstatelijkheid - die ruimte actief benutten. Wat overblijft is efficiëntie zonder moreel kompas.
Dat maakt deze crisis niet alleen een institutioneel probleem, maar ook een morele oproep aan Amerikanen die wél staan voor vrijheid, democratie en rechtsorde om zich te laten horen en hun eigen systeem te corrigeren - en aan Europa om zijn eigen stem te laten horen.
Europa’s ongemakkelijke stilte
Tegen die achtergrond krijgt de Europese reactie een andere betekenis. De terughoudendheid van Europese leiders is niet alleen een kwestie van politieke lafheid of diplomatieke voorzichtigheid. Zij weerspiegelt een structurele afhankelijkheid.
Europa is militair, technologisch en strategisch diep verweven met de Verenigde Staten. Openlijke confrontatie met een Amerika dat bereid is macht hard in te zetten zou Europa direct kwetsbaar maken. De stilte is geen teken van onverschilligheid, maar van beperkte handelingsruimte.
Dat is het dieperliggende probleem van Europa. Morele overtuiging die niet kan worden gedragen door strategische autonomie, verliest haar kracht. Europa spreekt over recht en waarden, maar kan die niet afdwingen zonder de bescherming van anderen, lees: de Amerikanen. Europa heeft deze afhankelijkheid te lang als vanzelfsprekend geaccepteerd. In termen van Goodall is het moreel bewustzijn van Europa leeg omdat het niet wordt gedragen door verantwoordelijkheid en handelingsvermogen.
Een wereld die opnieuw wordt verdeeld
Nielsen schetst een wereld waarin grootmachten de aarde opnieuw verdelen in invloedssferen. De Verenigde Staten richten zich op het westelijk halfrond, China op Oost-Azië, Rusland op Europa en zijn directe omgeving. Niet concurrentie, maar verdeling lijkt het leidende principe.
In zo’n wereld wordt Europa niet langer gezien als autonome actor, maar als inzet. Dat verklaart ook de toenemende Amerikaanse bemoeienis met Europese binnenlandse politiek: steun aan eurosceptische partijen, openlijke kritiek op de Europese Unie, pogingen om Europese samenhang te verzwakken. Europa is niet alleen afhankelijk, maar ook doelwit.
De wereld wordt een schaakbord, en Europa staat er middenop: zichtbaar, kwetsbaar en onvoldoende in staat om zelf het spel te bepalen.
Wat dit van Europa vraagt
Dit alles vraagt om een fundamentele heroriëntatie. Niet alleen moreel, maar strategisch.
Als Europa haar waarden serieus wil nemen, zal zij:
technologisch minder afhankelijk moeten worden,
militair slagvaardiger en coherenter moeten opereren,
politieke besluitvorming moeten versnellen
en haar interne verdeeldheid minder exploiteerbaar moeten maken.
In Goodalls termen vraagt morele evolutie om herverbinding tussen weten en doen, tussen overtuiging en verantwoordelijkheid. In een wereld waarin macht steeds vaker loskomt van recht, wordt de morele autonomie van Europa van doorslaggevend belang. De vraag is niet alleen wat Europa wil zijn, maar of het bereid is het gewicht van die keuze te dragen en de bestaande afhankelijkheid om te zetten naar eigen verantwoordelijkheid en daar nu consequent naar te handelen.
