Vallei des doods

Valleidesdoods

We stonden in een kring. Elk van ons gaf een persoonlijke terugblik op de dag. We hadden een wandeling gemaakt. Tijdens werksessies hadden we onze doelen en ambities met elkaar besproken. Daarover hadden we met elkaar meegedacht.

De groepsleden waren verschillend: er waren mensen van banken, kennisinstellingen, bedrijven, universiteiten, branche-instellingen, ambtenaren, wethouders. Hun terugblikken op de dag waren gelijk: deze dag heeft veel inspiratie en ideeën opgeleverd. Hiermee moeten wij door!

Totdat iemand vroeg: ‘Wie is eigenlijk de drager van het vervolg?’ Waarop een ander reageerde: ‘Zie je het midden van deze kring? Die ruimte is leeg. We staan wel verbonden in een kring, maar er is niets in ons midden waar wij omheen staan. Iets waarin wij met elkaar investeren. Dat is een probleem.’

Welkom in ‘de vallei des doods’. Mensen uit diverse sectoren komen bijeen, delen ideeën en ambities, en zijn geïnspireerd. Maar voor je het weet is iedereen weer opgeslokt door de dagelijkse stroom aandachtsvreters in de eigen organisatie. Naar binnen gezogen door het systeem.

De bank, de kennisinstelling, het bedrijf, de brancheorganisatie, de lokale overheid, allemaal stellen ze hun eigen doelen. En allemaal hebben ze hun eigen projecten en resultaten. Stuk voor stuk zijn het partiële doelen en partiële oplossingen. Dat werkt niet meer. De maatschappelijke vraagstukken van nu vereisen cross-sectorale innovatie. Maar wie zet daartoe de eerste stap? En hoe ga je dan samen verder?

Hieronder beschrijf ik drie breekpunten en achterliggende mechanismen die van de vallei die je met elkaar moet doorlopen, zo’n levensgevaarlijk, moeilijk doorwaadbaar gebied maken. Laten we de gevaarlijke plaatsen in de vallei wat beter in kaart brengen. Zodat we de beste en snelste routes kunnen nemen.

De confronterende vraag naar ‘de drager’ was een goede. Als de vraag en de behoefte van één van de betrokkenen centraal komt te staan, verhoogt dat de succeskansen op een goed vervolg. De drager is de partij die de stap zet naar het midden van de cirkel.

Bij die stap hoort een eigen investering. Niet per se in geld. Het kan bijvoorbeeld ook gaan om personele capaciteit, vergaderruimte, expertise of een ander productiemiddel. Als maar blijkt dat iemand er echt voor wil gaan. In woord en in daad.

Vervolgens kunnen ook anderen uit de kring een stap naar het midden zetten, en bij de centrale figuur gaan staan. We hebben dan een drager en een aantal co-investeerders. Dat is de kerngroep.

Co-investeerders kunnen de doelen en productiemiddelen van de drager verbinden aan hun eigen (organisatie)doelen en productiemiddelen (hun investeringen). De kerngroepleden gaan met elkaar een plan uitwerken waarin alle doelen, activiteiten, resultaten en investeringen beschreven staan. Ze cocreëren een waardecase (‘value case’). Zo komt de boel in beweging.

Zetten alle aanwezigen de stap naar voren en komen we weer uit op dezelfde kring rondom de drager? Nee, dat denk ik niet. En dat hoeft ook niet. Er zijn altijd mensen die om (goede of minder goede) redenen afhaken. Dat kan maar duidelijk zijn. Soms ontstaat er wel een tweede, heel losse, tijdelijke kring rondom de kerngroep. De mensen uit de tweede kring denken nog wat mee. Ze geven bijvoorbeeld wat feedback op het conceptplan, of ze verwijzen door naar relevante kennis en contacten. Maar ze gaan verder op hun eigen pad.

Vanuit de kring ontstaan dus vier categorieën mensen: de drager, de kerngroep (drager plus co-investeerders), de losse, tijdelijke betrokkenen, en de niet-betrokkenen.

De volgende stap is dat de kerngroep ook echt bijeen komt om het plan te maken. Het is de verantwoordelijkheid van de drager ervoor te zorgen dat dit gebeurt. De drager heeft echter niet altijd voldoende tijd, talent en vaardigheden in huis om een goed samenwerkingsproces te organiseren. Het is raadzaam daarvoor iemand met dergelijke kennis en ervaring aan te trekken.

Dat kost geld, maar dat is om verschillende redenen vaak niet in deze fase beschikbaar. De aanwezigen (co-investeerders) hebben bijvoorbeeld geen mandaat om financiële beslissingen te nemen, en moeten daarvoor terug naar hun organisatie. Ook wanneer ze dat mandaat wel hebben, moeten zij hun uitgaven intern verantwoorden. Ze moeten onderbouwen dat de investering in het doel van de drager ook voldoende bijdraagt aan de eigen organisatiedoelstellingen en -resultaten. Echter, het plan is er nog niet, dus kan het niet gebruikt worden ter onderbouwing. En dus is er geen geld. Een kip-ei situatie.

In de bovenstaande bijeenkomst werd een beroep gedaan op de procesbegeleider om hierin zelf te investeren (deze kosten zelf te dragen), met als mogelijke latere beloning een betaalde continuering van zijn rol (een opdracht). Echter: de eerste bijeenkomst was ook al op eigen kosten door de procesbegeleider georganiseerd, en ook procesbegeleiders moeten zorgen voor brood op de plank. Hoeveel voorinvestering door procesbegeleiders is redelijk?

Kortom: in de startfase is financiering ter begeleiding van een goed proces vaak afwezig, terwijl een complex proces met verschillende spelers uit diverse sectoren juist in deze fase goede begeleiding nodig heeft.

Wanneer komt er wel geld beschikbaar, en hoe? Zoals iemand als eerste de stap naar het midden heeft gezet om het project te dragen, zo ook zal ten minste één van de co-investeerders als eerste met geld over de brug moeten komen.

In het ideale geval zijn er gelijktijdig meerdere organisaties die geld willen investeren in de waardecase. Dit maakt de onderbouwing en het verzoek om budget, per afzonderlijke organisatie sterker: ‘Kijk, zij stoppen er ook wat geld in, wij zijn niet de enige organisatie die hierin gelooft.’ In veel gevallen is deze situatie afwezig. Immers: in deze fase zijn er nog veel onzekerheden rondom de waardecase, en de risico- en investeringsbereidheid verschilt aanzienlijk per organisatie. Daarnaast kijkt elke organisatie vaak primair vanuit de eigen doelstellingen en beoogde resultaten, en is de relatie tussen die eigen doelen en resultaten en de gezamenlijke waardecase niet bij elke organisatie even direct te leggen.

Het meest ideaal is dan ook wanneer de drager zelf wat geld investeert, en daarbij enkele partijen zoekt die ook wat geld willen investeren (naast andere productiemiddelen, zie hierboven). Echter, maatschappelijk initiatiefnemers en sociale ondernemers hebben vaak weinig tot geen eigen geld om te investeren. Het gevolg is dat veelal een beroep wordt gedaan op één van de andere partijen om (als eerste) geld te investeren. Niet zelden is dat de overheid.

Wanneer voor het geld vooral in de richting van één partij gekeken wordt, is het niet vreemd dat deze partij op voorhand wat garanties wil voor de te behalen resultaten. De partij die financiert zal proberen de waardecase zo veel mogelijk in de richting van de eigen organisatiedoelen en -resultaten te krijgen. Het verantwoordingsmechanisme binnen de betreffende organisatie zal een dergelijke dynamiek op gang brengen: ‘Waarom moeten wij, als enige partij, hierin geld investeren? Wat levert ons dat op?’.

Het zorgt ervoor dat de relatie minder het karakter krijgt van co-creatie, en meer het karakter van een opdrachtgever-opdrachtnemer-relatie.

Kliffen en gladde rotspartijen: Laat ik de hiervoor genoemde gevaarlijke plekken uit ‘de vallei des doods’ nog eens samenvatten in de vorm van drie breekpunten en begeleidende adviezen.

Een eerste breekpunt is dat diverse partijen aan het einde van een bijeenkomst enthousiast zijn, maar dat de boel na de bijeenkomst al snel weer in elkaar zakt. Een oplossing is om aan het einde van een bijeenkomst geen genoegen te nemen met enthousiasme en inspiratie alleen. Advies: expliciteer de drager en de co-investeerders. Wiens doel en vraag staat centraal, en wat investeert deze partij zelf om hieraan te werken? Welke partijen willen co-investeren. Wat zijn hun gerelateerde doelen en vragen, en welke investeringen -in de vorm van geld, kennis, contacten, of andere productiemiddelen- hebben zij in de aanbieding? Een eenvoudige manier om rollen, doelen, vragen en investeringen te expliciteren is dit fysiek uit te beelden. Vorm een kring. Laat na een evalutatierondje van de bijeenkomst, eerst de drager en dan de co-investeerders naar het midden van de kring stappen. En laat hen bovengenoemde aspecten uitspreken en expliciteren. Noem hen de kerngroep.

Een tweede breekpunt is of de kerngroep daarna werkelijk bijeenkomt om een plan te maken. Hier is een klif of de drager wel voldoende tijd, kennis en ervaring heeft om het juiste proces te organiseren voor het complexe, gevarieerde en vaak drukbezette gezelschap uit verschillende sectoren. Weet de drager het logistiek te organiseren? Weet de drager het sociaal-relationeel te managen? In bredere zin is een breekpunt dat onvoldoende tijd, zorg en aandacht wordt besteed aan de logistieke en sociaal-relationele aspecten van de kerngroep (in wording). Advies: trek iemand aan met ervaring op dit gebied. Een goede procesbegeleider.

Een derde breekpunt is geld in de beginfase. Geld is en blijft een cruciaal productiemiddel. Een valkuil is dat iedereen wel wat andere productiemiddelen aanbiedt, maar dat niemand -aan de start- wat geld investeert. De gladde rotspartij is dat de kerngroep zich op één organisatie richt voor het geld. Dit maakt het verzoek kwetsbaar en het leidt eerder tot een centrale  opdrachtgever-nemer-relatie, dan tot gezamenlijke cocreatie. Advies: start met minimaal twee partijen die direct een beetje geld investeren. Dat hoeft niet heel veel geld te zijn. Minimaal een bedrag om een procesbegeleider één of twee keer van te kunnen betalen. Dit vergroot de kans op een gedragen, gezamenlijk plan. De partijen die in de startfase geld investeren voelen zich gesterkt door elkaar, en kunnen een beter verhaal verkopen in hun eigen organisatie. Dit vergroot weer de kans dat (later) ook andere organisaties geld beschikbaar stellen. Zo kan de co-financiering ontstaan, die bij cocreatie past.

Herken je een aantal van de hierboven beschreven mechanismen? Wat heb jij daarover te vertellen? En welke andere gevaarlijk hobbels, voetangels en valkuilen ben jij tegen gekomen in ‘de vallei des doods’? Wat zijn daarbij jouw adviezen? Wat zijn volgens jou de beste en snelste routes naar intersectorale co-creatie?

Vertel het! Want alleen zij die de barre tocht door de vallei des doods hebben overleefd, kunnen met hun verhalen de overlevingskansen van anderen vergroten…

 

Alles is communicatie

communicatieisalles

‘Alles is communicatie’ stond in de e-mail van de nieuwe directeur. Ik weet nog goed dat ik de email nietszeggend vond. Het was tijdens mijn afstudeerperiode en ik werkte bij een reclamebureau. De gesprekken tussen de collega’s van het bureau hadden weinig diepgang. De ambitie van deze nieuwe directeur om nu eens ‘echt met elkaar te gaan communiceren’ achtte ik dan ook weinig kansrijk. Temeer omdat deze snelle jongen uit precies hetzelfde hout gesneden was als de mensen die hij wilde bekeren.

Toch is dat zinnetje me al die jaren bijgebleven. Misschien door het scherpe contrast. Het fragment met een waarheid die ik onderschreef, tegenover allerlei andere teksten die ik betekenisloos achtte. Ik ontdekte dat ik niet op mijn plaats ben in een zeer commerciële omgeving.

Alles wat we beogen valt of staat met de kwaliteit van de relatie. En de manieren waarop we communiceren, de interactievormen, bepalen de relatie. Dus is alles communicatie.

Otto Scharmer laat zien dat we in de dominante benadering van de economie een cruciaal aspect over het hoofd zien: bewustzijn. De huidige crises zijn een resultaat van ons denken. Ze representeren een bepaald bewustzijnsniveau, met een bijbehorende manier van communiceren. Hij onderscheidt grofweg vier fasen, waarbij er per fase een interactievorm bij komt. Eerst ontstond de sterke staat. De bijbehorende interactievorm: hiërarchie en controle. Vervolgens kwam de markt erbij, met competitie als interactievorm. Daarna rukte het maatschappelijk middenveld op, dat zich via allerlei koepels liet vertegenwoordigen. Netwerken en onderhandelen waren de daarbij passende interactievormen. Denk aan het poldermodel.

Welnu, de derde fase nadert zijn einde, zo zien we aan bijvoorbeeld de tanende lidmaatschappen van politieke partijen, vakbonden en andere representatie-organen. Mensen gaan het zelf doen. De vierde fase is die van integraal kijken en handelen. Het draait erom dat alle partijen – overheid, markt, maatschappelijk middenveld en gemeenschap – zowel vanuit hun eigen rol als die van anderen naar vraagstukken gaan kijken. En dat zij vervolgens vanuit het integrale perspectief handelen ten gunste van het collectief.

scharmer1

Dat is een ‘mundo of macro-verhaal’, maar de kracht van Scharmer is dat hij uitlegt dat deze fasering en interactievormen evenzeer van toepassing zijn op organisaties, teams en individuen (meso en micro).

scharmer2

Zoals ik hiervoor al aangaf zorgen contrasten ervoor dat je de dingen soms scherper waarneemt en beter onthoudt. Een paar weken geleden had ik vrij snel achter elkaar twee grote bijeenkomsten. Deze twee bijeenkomsten vormden een contrast. De eerste bijeenkomst was met een grote groep internationale onderzoekers die zich met de theorie en praktijk van transities bezighouden. De tweede bijeenkomst was met een grote groep mensen uit mijn Directoraat-Generaal.

De bijeenkomst met de onderzoekers kende een grote variëteit aan interactievormen en zaalopstellingen. We zaten op een etage van een soort bedrijfsverzamelgebouw uit de jaren tachtig, middenin een woonwijk. Er was een spreekgedeelte met daarom heen twee halve cirkels met stoelen. De sprekers en andere deelnemers zaten daardoor dicht bij elkaar.

De locatie en de opstelling creëerden nabijheid.

De dag begon met een paar korte presentaties van maximaal een kwartier, telkens gevolgd door een kort groepsgesprek. Daarna volgden onder andere: een groepswandeling, een staande brainstorm, een sessie waarbij mensen op tafels hun gedachten uittekenden en alle deelnemers vervolgens plenair de tafels langs gingen en per tafel de resultaten bespraken, en een sessie waarbij alle deelnemers met elkaar van hun inzichten uit de bijeenkomst een verhaal maakten, door verder te vertellen waar een ander ophield. Tussendoor was er telkens korte tijd voor wat eten en drinken, waarbij ik elke keer andere mensen sprak.

Aan het einde van de dag hingen de muren vol met flappen met ideeën en tekeningen. Er was kennis gedeeld en kennis ontwikkeld, en ik had een vrij goed beeld hoe diverse andere deelnemers tegen vraagstukken aankeken.

De tweede bijeenkomst was met mensen uit mijn Directoraat-Generaal. We zaten in een chique sociëteit voor oude heren. Voor de sprekers was er een katheder op een podium. De deelnemers zaten op vloerniveau in een grote zaal.

De locatie en de opstelling creëerden afstand.

De bijeenkomst begon met twee voordrachten na elkaar, die inclusief vragen aan de sprekers wel een uur duurden. Daarna gingen we uiteen om aan ronde tafels te brainstormen over de toekomst. Tenminste, zo was het idee. In tegenstelling tot mijn verwachting gingen de tafelgesprekken vooral over de korte termijn. De bedoeling was dat we per tafel diverse memovelletjes met ideeën op een flapover zouden plakken. Aan het einde van de sessie zei de inleider aan mijn tafel tegen zijn deelnemers: ‘Schrijf nog even snel wat op de memovelletjes, anders ben ik dadelijk de enige die geen memovelletjes heeft!’ Zijn vrees was onnodig. De dagvoorzitter concludeerde dat de memovelletjes met ideeën bij alle tafels dun gezaaid waren. Na twee spreekrondes met wisselende deelnemers aan de tafels dacht ik dat we plenair per tafel van de gespreksleiders zouden horen welke inzichten zoal waren opgedaan. Dat gebeurde niet.

De bijeenkomst vervolgde met een rondje ‘vragen aan de Directeur-Generaal’. Er zou een vervolg komen, zoveel werd me duidelijk bij de afsluiting van de middag, maar veel meer ook niet.

Terug naar het model van Scharmer. Ik zou zeggen dat we in de eerste bijeenkomst op het niveau van de dialoog zaten, met een begin van collectieve creativiteit. In de tweede bijeenkomst zou ik zeggen dat we veel aan het downloaden waren, met een beetje discussie.

De interactievormen die we kiezen, en waarin we als collectief telkens ‘terugvallen’, zijn mogelijk een uitdrukking van ons collectieve bewustzijnsniveau. Het bewustzijn zit in de vorm. Hoe we communiceren zegt iets over waar we staan en waarheen we vanaf daar kunnen gaan.

Mijn vermoeden is dat het collectief van internationale transitie-onderzoekers zich hiervan meer bewust is, en daardoor bewuster met interactievormen bezig is, dan het collectief van mijn Directoraat-Generaal.

Dat betekent dat we, als we in mijn Directoraat-Generaal echt nieuwe kennis en nieuwe toekomst- en handelingsperspectieven willen ontwikkelen, vaker andere interactievormen moeten ontwerpen en toepassen. Want alles, ja echt alles is communicatie.

Foto: marco18678

 

Weg die tafel!

Wegdietafe3Het is maandagochtend. Je loopt de vergaderzaal binnen. Op een hoek van de tafel staan de kannen van de cateraar. Rode dop is koffie, gele dop is thee. Een aantal collega’s staan bijeen. Ze groeten je. Gerard schenkt koffie in. Nienke en Esther praten over het weekend. Dan lopen ze naar een stoel en gaan zitten. Dat doe jij ook. Andere collega’s druppelen de zaal binnen. Ook zij pakken koffie of thee en gaan zitten aan de grote vergadertafel. Eigenlijk zijn het meerdere tafels, neergezet in een grote rechthoek. Iedereen heeft iets voor zich liggen op tafel. Bij de meeste mensen is het een stapeltje vergaderstukken, enkelen hebben een tablet voor zich liggen.

Lees verder