Aan de knoppen draaien

knoppendraaien

In verhalen over de participatiesamenleving en actieve burgers gaat het vaak over de veranderende verhouding tussen overheid en burgers. Maar de meest fundamentele verandering vindt plaats tussen burgers onderling, in hun verschillende rollen en hoedanigheden.

Kunnen mensen elkaar vaker op een constructieve manier aanspreken? Kunnen mensen de dialoog voeren over de inrichting en het gebruik van de publieke ruimte?

Een gedeputeerde van de provincie Noord-Brabant beschrijft dat inwoners die overlast ervaren van een agrarische ondernemer, zich in een reflex richten tot de overheid in plaats van het gesprek aan te gaan met hun agrarische buurman. De boer die zich met tegenstand geconfronteerd ziet maakt als reflex zijn verdediging op orde met behulp van zijn agrarisch adviseur, in plaats van het gesprek met de buren aan te gaan. En de overheid reageert met een procedurele, inhoudelijk-juridische reflex op vragen en vraagstukken van inwoners en ondernemers, in plaats van een dialoog op gang te brengen met aandacht en ruimte voor gevoelens en verschillende perspectieven.

De eerste reactie van de provincie Noord-Brabant op de Q-koortsuitbraak tussen 2007 en 2012 en het Megastallen Nee-initiatief uit 2009 was bijvoorbeeld een aantal ingrijpende aanpassingen van provinciale regelingen doorvoeren om de schaalvergroting binnen de agrarische sector tegen te gaan. Later kwam het besef dat dit onvoldoende is om echt iets te veranderen.

Dat het voor blijvende, positieve veranderingen van belang is dat boer en buur voldoende tijd te nemen om het echte gesprek met elkaar aan te gaan.

En dat de overheid daarin een faciliterende rol kan spelen en ook reflectie kan organiseren op de eigen rol, door zelf deel te nemen aan de dialoog.

Ik las het verhaal van de provincie Noord-Brabant terwijl ik met mijn gezin arriveerde bij een meer. Het was een prachtige, zomerse dag en we installeerden ons naast een aantal andere gezinnen. Het meer had een zandstrand met een aantal speeltoestellen. Terwijl de kinderen hun scheppen en emmers pakten om te gaan spelen, klapten mijn vrouw en ik onze strandstoeltjes uit om lekker in de zon een boek te lezen.

Onze buren hadden een muziekje op van een of andere volkszanger in de categorie Frans Bauer/Dries Roelvink. Toen de kinderen hun eerste zandkastelen gebouwd hadden en wij de draad van onze romans weer hadden opgepakt, ging de muziek over op een soort techno-house met harde beat, en werd de volumeknop omhoog gedraaid. Ik zag de andere badgasten met gefronste wenkbrauwen kijken naar de herriemakers, en met elkaar blikken van verstandhouding uitwisselen. Ik ergerde me ook en vroeg me af waar mijn grens lag. In hoeverre waren deze mensen mijn strandbeleving aan het verstoren, en waar gaf ik ruimte aan deze mensen om -op hetzelfde strandje- via een luidspreker naar hun muziek te luisteren?

Iedereen ergert zich rot, maar niemand zegt er wat van, zei mijn vrouw.

Maar precies op dat moment zag ik in de verte een dame opstaan en op de groep herriemakers aflopen. Er vond een wisseling van woorden plaats. Het was geen goed gesprek getuige de handgebaren en het geschreeuw op het moment dat de vrouw weer van de groep weg liep. Toch wel moedig dat deze vrouw er wat van zegt, dacht ik. Ik mijmerde wat verder over de analogie met de boeren en buren in Noord-Brabant.

Als dit strandje beheerd zou worden door de overheid, zou er vast ergens een bord met verboden staan, dacht ik.

Misschien wel met een groot zwart icoon van een stereotoren met muzieknoten en dan zo’n rode streep erover heen. We zouden naar de strandwacht lopen en hem vragen om in te grijpen.

nomusicMaar hier moesten we het zelf doen. Dat verlangde dat ook ik mijn steentje bijdroeg aan de participatiesamenleving op het strandje. Ik stond op een beende naar de groep herriemakers. En ja, ze dronken bier, en ja de mannen waren gespierd, en ja ze hadden tatoeages. Dus ik besloot om op een zo rustig en vriendelijk mogelijke toon mijn vraag te stellen. Ik tikte een van de groepsleden licht op de schouders en zei: ‘Kan jij de muziek wat zachter zetten, alsjeblieft?’ Het leek me goed de persoon als individu aan te spreken in plaats van als groepslid dus ik gebruikte bewust de woorden ‘kan jij’ in plaats van ‘kunnen jullie’. De figuur die ik aansprak bleek niet aan de knoppen te draaien, want hij verwees me door naar een ander groepslid. Laat ik niet mijn verzoek herhalen dacht ik, dat mag hij zelf doen, dan spreken ze ook elkaar aan. En kennelijk straalde ik dat uit, want hij zei: ‘Hey Danny, deze mijnheer vraagt of het wat zachter kan.’ De muziek ging zachter en ik bedankte Danny de geluidsman.

Maar ik boekte weinig succes, want na de aanvankelijke verlaging van het volume, ging het volume van het stereosysteem bij het volgende nummer weer voluit. Ik las in het verhaal van de gedeputeerde de volgende zin:

De ervaring leert dat bij een oprecht open houding, het meestal leidt tot wederzijds begrip en de bereidheid om rekening met elkaar te houden.

Maar wat doe je met een stel aso’s dat zich nergens wat van aantrekt? Die de gemeenschap de rug toe keren en op dezelfde manier verder gaan, ook nadat ze herhaaldelijk door andere mensen zijn verzocht om met anderen rekening te houden. Ik besprak het met mijn vrouw. ‘Eigenlijk zouden alle mensen die last van deze groep hebben, op hetzelfde moment moeten opstaan, en als collectief deze herriemakers op hun gedrag aanspreken’, zei ze. ‘Maar hoe vind je elkaar?’, vroeg ik. ‘We kijken elkaar nu wat glazig aan en vermoeden dat we allemaal last van deze gasten hebben, maar ik kwam ook pas in actie nadat ik een ander hetzelfde had zien doen. Het valt nog niet mee om zo’n groep te formeren.’

Misschien is dat wel het ontwikkelpad waarop we ons bevinden. Dat we eerst leren met meer gemak een ander op zijn gedrag in de publieke ruimte aan te spreken.

Dat we met de ander het gesprek over het gebruik van de publieke ruimte durven aangaan. Als dat voor iedereen vanzelfsprekender is, zou de volgende fase kunnen zijn dat we leren om sneller tot nieuwe, soms tijdelijke collectieven te komen, om ter plaatse het algemene belang te bepalen en te realiseren, inclusief de ruimte voor de minderheid.

In dat ontwikkelpad heeft de dialoog terrein gewonnen ten opzichte van de monoloog, de discussie en het debat. Tegelijkertijd zullen we ons realiseren dat ook de dialoog niet zaligmakend is. De overheid van de toekomst blijft regels opstellen en handhaven, maar weet dat -als gevolg van een breder gebruik van de dialoog- gerichter en effectiever te doen.

 

Foto: Alan Levine (Creative Commons)