De levensgroei economie

levenseconomie

De levensgroei-economie, of kortweg ‘levenseconomie’, is een economie die de kwaliteit van het menselijke en natuurlijke leven beschermt, ontwikkelt en reproduceert. Het is een duurzame, circulaire economie. Daarbij staat de mens niet boven de natuur, maar is de mens onderdeel van een natuurlijk ecosysteem. De mens is (ook) de natuur. Otto Scharmer en Katrin Kaufer (2013) noemen deze verandering van perspectief ‘van een op ego-systemen gebaseerde economie naar een op eco-systemen gebaseerde economie’. Kortgezegd: ‘van ego naar eco’.

Ego-vs-EcoAls we de mens als natuur beschouwen, zien we beter dat we, door het natuurlijke ecosysteem te vervuilen, uit te putten en te vernietigen, hetzelfde doen met het menselijke leven. De huidige ongeremde globale economische groei met grootschalige destructie van mondiale ecosystemen, met financiële baten voor enkelen (1%) en hoge sociale kosten voor velen (99%), is niet langer houdbaar. Het is een paradigma van oneindige groei op een eindige planeet. Het is een paradigma waarin we juist dat wat schaars en eindig is, de natuur, als overvloedig en oneindig beschouwen. Terwijl we tegelijkertijd dat wat overvloedig en oneindig aanwezig is, onze creativiteit en kennis, kunstmatig schaars maken en met copyrights en patenten beschermen.

Na tientallen jaren waarin we economische groei als centraal doel hebben gesteld, moeten we nu de levensgroei weer centraal stellen en de economische groei weer leren zien als een middel tot levensgroei. Dat middel is een evenwichtige, kwalitatieve, duurzame welvaart ten dienste van allen (of in ieder geval de meerderheid). De basis van deze economie is gelegen in een productieve, maatschappelijke functie en bijdrage. De levenseconomie verdiept en verbreedt de maatschappij door te voorzien in levensbehoeften, door te investeren in sociaal-maatschappelijk en economische voorzieningen en infrastructuren, en door de natuur duurzaam te benutten en te onderhouden. Financieel-economische groei is en kan nooit een doel in zichzelf zijn. Toch is dat, de economie en economische groei als doel en al het andere als middel, de huidige dominante manier van denken, kijken en praten. Het is het huidige discours.

Laatst nam ik deel aan een interessante discussie over het verschil tussen reële waarde en financiële waarde. Het ontbrak in deze discussie aan conceptuele scherpte over wat we nu eigenlijk bedoelen met reële waarde en financiële waarde. Vanuit mijn perspectief is reële waardetoevoeging onderdeel van de levenseconomie. Die waarde komt in de vorm van levensgoederen en andere goederen die bijdragen aan de groei, kwaliteit of ontwikkeling van het leven. Geld is daarbij een middel om zelf (levens)goederen te kunnen produceren, en om -op basis van een natuurlijke behoefte- andere levensmiddelen te kunnen bemachtigen. In de levenseconomie ontstaat dus ook financiële waarde door levensgoederen te monetariseren, maar geld is daarbij altijd een middel. Aan het andere uiteinde van een (conceptueel) spectrum zit de financiële winstgroei economie waar financiële winstgroei (in tegenstelling tot levensgroei) een doel op zichzelf is geworden. Daar draait het alleen nog maar om ‘van geld meer geld maken’. Deze ‘financiële economie’ is enkel gebaseerd op financiële verwachtingen en heeft geen relatie meer met reële waardecreatie in de vorm van goederen (of diensten) die het leven ontwikkelen of positieve kwaliteit geven. Sterker nog, de financiële winstgroei-economie onttrekt levenswaarde en vernietigt het leven.

In discussies over perspectieven op de economie verzuchten mensen die overtuigd zijn van het postkapitalisme of ‘de levenseconomie’ wel eens hoe zij anderen ‘wakker kunnen maken’. Wat is ervoor nodig meer mensen te laten ‘ontwaken’ of te laten komen op ‘een hoger bewustzijnsniveau’. Is het een kwestie van vergrijzing waardoor steeds meer mensen ‘oud en wijs’ worden? Neemt door de vergrijzing onze collectieve wijsheid toe? Of zijn er vooral concrete, praktische instrumenten nodig om een verandering te realiseren, en moeten we vooral ‘leren door te doen’ op basis van design thinking? Of moeten de crises zich verder opstapelen en moet de situatie verergeren totdat meer mensen ervan overtuigd raken dat een ander perspectief op de economie en een nieuw mens- en maatschappijbeeld nodig zijn?

Het is vast een combinatie van factoren. Zo ook zal enige conceptuele scherpte in wat we nu bedoelen bijdragen. Hieronder maak ik op basis van het werk van John McMurtry (1999) in een aantal stappen de verschillen duidelijk(er) tussen enerzijds de levensgroei economie en anderzijds de financiële winstgroei economie. Ik geef vijf aanscherpingen in onze manier van kijken. In de lijn van de metafoor ‘wakker worden’ is het namelijk belangrijk om, als je eenmaal ontwaakt bent, ‘steeds scherper kunnen te zien’.

1. Negatieve levenseffecten van productie ‘Externaliteit’ bij efficiënte productie, of sociale kosten en milieukosten?
2. Kunstmatige levensgoederen Drinkwater of gepatenteerd suikerwater?
3. Kunstmatige bezitswensen Natuurlijke behoefte aan fruit (appel), of kunstmatig opgewekte bezitswens van gadget (apple)?
4. Dodelijke goederen Wapenindustrie of normalisatie van dodelijke goederen?
5. Financiële industrie Van geld meer geld maken, en levenswaarde onttrekken.

Duurzame productie voor natuurlijke behoeften

Geld als universeel middel voor de uitwisseling van levensgoederen dient het leven zelf. Denk aan een bakker die brood maakt en verkoopt, en van de financiële winst andere levensgoederen koopt. De productie van levenswaarde begint met leven (graan), dat via een productieproces (met behulp van andere natuurbronnen, arbeid, machines) waarin reële waarde en een concreet goed wordt geproduceerd (brood), leidt tot geld dat de bakker kan inruilen voor andere levensmiddelen, hetgeen leidt tot meer leven.

De levenseconomie-formule is:

Leven -> Levensgoederen -> Geld -> Andere Levensgoederen -> Meer Leven

In deze formule volstaat het om enkel levensgoederen te produceren om, via het geld dat dit opbrengt, te kunnen beschikken over voldoende andere levensgoederen.

Niet meer geld, maar voldoende geld om te leven is het doel.

De bakker produceert de hoeveelheid brood die hij met zijn gezin of familie zelf nodig heeft, en een overschot om (via het geld dat dit oplevert) te kunnen ruilen voor andere levensgoederen die hij nodig heeft. Zo werkt het ook bij andere producenten in de levenseconomie. De producent heeft bij de productie oog voor sociale en veilige arbeid (het werk zelf, de arbeidsplaats en de beloning) en gaat duurzaam om met natuurlijke (grond)stoffen. Hij draagt zo bij aan de reële lokale economie.

In de kern van deze formule voor ‘levensgoederenproductie’ is ook de kapitalistische basisformule zichtbaar waarin het doel is om financiële opbrengsten te maximaliseren en financiële kosten te minimaliseren:

Geld -> Goederen -> Meer geld

Merk op dat de levensproductieformule begint en eindigt met leven, en de kapitalistische winstformule begint en eindigt met geld. Je zou de levensformule circulair kunnen maken door van het einde van de formule, ‘Meer leven’, een pijl te trekken naar het begin van de formule. Levensgoederen leiden zo tot (meer) geld en tot (meer) levensgoederen/leven. Als je vervolgens het accent anders legt, geld leidt tot goederen en tot meer geld, komt je uit op de kapitalistische winstformule. Hieronder laat ik zien hoe deze kapitalistische formule in stappen van karakter wijzigt waardoor uiteindelijk de reële waardecreatie (goederen) volledig verdwijnt en alleen geld en financiële winstgroei over blijven.

We kunnen goederen die het leven ontwikkelen of vergroten noteren als lG+, en goederen die het leven verminderen of verslechteren noteren als lG- (De l staat daarbij voor leven en de G voor goed). Als de productie van levensgoederen duurzaam is, zoals in het bovenstaande voorbeeld van een duurzame bakker, dan kunnen we dat effect noteren als (+). Geld leidt dan op een duurzame manier tot goederen die het leven ontwikkelen en vergroten:

Geld -> lG+ (+) -> meer Geld (-> meer leven)

Maar productie van levensgoederen kan ook plaatsvinden op een niet-duurzame, levensverminderende manier. Denk bijvoorbeeld aan de productie van kleding in mensonterende arbeidsomstandigheden, bij werktijden van 80 uur per week, tegen een erbarmelijk loon, met verspilling van grote hoeveelheden water. Er wordt weliswaar een levensgoed geproduceerd (kleding), maar het heeft voor de arbeiders en de natuur diverse levensdestructieve effecten, genoteerd als (-).

Geld -> lG+ (-) -> meer Geld

Eerste aanscherping: negatieve levenseffecten

Dit is een eerste aanscherping van ons perspectief. Mensen die kijken vanuit het gangbare economische perspectief zien deze negatieve levenseffecten (-) niet. Sociale en maatschappelijke kosten zijn daarin ‘externaliteiten’ van een ‘ waardevrije’ en gewenste efficiënte productie tegen de laagst mogelijke kosten, en met een hoogst mogelijke financiële winst. Het neoliberale economische perspectief herkent en erkent deze sociale kosten en milieukosten niet. Mensen die vanuit dit perspectief kijken zijn in feite ‘levensblind’ en accepteren kritiekloos de gangbare kapitalistische formule. Deze formule, en de daarop gebaseerde economische modellen, maken het onmogelijk te zien dat het uiteindelijke resultaat is ‘meer geld voor sommigen (1%)’ en ‘hoge sociale en economische kosten voor anderen (99%) en het milieu’.

Tweede aanscherping: kunstmatige levensgoederen

Een tweede aanscherping van ons perspectief, is dat we zien dat bedrijven, op basis van de kapitalistische winstformule, natuurlijke levensgoederen vervangen door kunstmatige levensgoederen. Denk bijvoorbeeld aan junkfood of ‘frisdrank’ boordevol slechte suikers. Deze kunstmatige levensgoederen, genoteerd als lG-, zijn goedkoper, sneller en in grotere hoeveelheden te maken, en te patenteren als eigendom van het bedrijf. Via reclames worden deze kunstmatige levensgoederen geassocieerd met succes, geluk, zonnige stranden, liefde enzovoorts. Kortom, ze worden wel geassocieerd met levensgroei, terwijl ze daaraan niet bijdragen.

Geld -> lG- (-) -> meer Geld

Derde aanscherping: kunstmatige bezitswensen

Een derde aanscherping van ons perspectief is dat we zien dat er een klasse goederen bestaat, die niet zozeer een levensgoed vervangt, maar waarvoor een kunstmatige behoefte wordt opgewekt. Dit is verreweg het grootste deel van de op de markt gebrachte producten. Via reclame prenten bedrijven ons in dat deze goederen iets zijn ‘dat we moeten willen hebben’. Dit beoogt de vraag uit te breiden van natuurlijke behoefte (voedsel, veiligheid, enzovoorts) naar kunstmatige bezitswens (dure apparaten, merkparfum, enzovoorts).

Sommige van deze producten kunnen bijdragen aan levenskwaliteit (G+). Maar veel van deze ‘opgewekte-bezitswens-producten’ verlagen de levenskwaliteit. Ze maken mensen tot passieve consument. Bijvoorbeeld: mensen gaan passief tv kijken in plaats van zelf actief een tekst te schrijven, een goed gesprek te voeren, of op een andere manier creatief bezig te zijn. Reclames voor deze producten willen mensen doen geloven dat het hen aan van alles ontbreekt: Je bent niet gelukkig, slim, gezond, gewild enzovoorts, als je dit product niet bezit. De tijd die mensen stoppen in deze levensverminderende producten (G-) gaat ten koste van de tijd die mensen kunnen stoppen in de dingen die het leven verbreden of verdiepen. We hebben nu oog voor levensverminderende goederen (G-), die allerlei negatieve kwaliteiten en effecten hebben:

Geld -> G- (-) -> meer Geld

Vierde aanscherping: dodelijke goederen

We hebben het tot nu toe gehad over goederen die op indirecte wijze het leven schaden. De vierde aanscherping van ons perspectief is dat er een klasse goederen bestaat die direct en intentioneel de destructie van het leven beoogt. Denk aan wapens. De wapenindustrie en -handel is financieel zeer winstgevend. De productie van wapens door het militair-industrieel complex is uitermate vervuilend voor het milieu, en het gebruik van wapens is destructief voor menselijk en (ander) natuurlijk leven, en maakt sociale en fysieke infrastructuren die leven mogelijk maken kapot.

Het zijn dodelijke goederen, genoteerd als dG (de d van dodelijk, de G van goederen). De formule ziet er als volgt uit:

Geld -> dG -> levensdestructie -> meer Geld

Naast wapens zijn andere dodelijke goederen te onderscheiden, denk bijvoorbeeld aan sigaretten. Het dodelijke karakter van sigaretten is lang ontkend. Naast goederen die van zichzelf dodelijk zijn, kunnen we denken aan goederen die de aanval op en destructie van het leven representeren. Denk aan gewelddadige films en games. Destructie van leven levert een financiële winst op. Desondanks worden alle bovenstaande vormen van levensdestructie niet onderscheiden, en onder het financiële winstgroei paradigma allemaal ‘normaal’ gevonden en niet geproblematiseerd.

Vijfde aanscherping: enkel financiële winstgroei

In het voorgaande hebben we de goederen in de kapitalistische formule verbijzonderd. We zagen allereerste dat onder de noemer ‘externaliteiten’ allerlei negatieve effecten van goederenproductie schuil gaan (-). We keken ook naar de goederen zelf. Naast positieve levensgoederen (lG+) en positieve goederen (G+), zagen we een schaduwkant in de vorm van negatieve levensgoederen (lG-), negatieve goederen (G-), en dodelijke goederen (dG).

Hoe negatief de productie en producten ook mogen zijn, in bovenstaande formules is overal sprake van de productie van goederen. De vijfde aanscherping van ons perspectief is dat we zien dat er een financiële ‘bedrijfstak’ is ontstaan waarbij in het geheel geen goederen meer geproduceerd worden en er enkel sprake is van financiële winstgroei, via ‘transacties in financiële producten’:

Geld -> meer geld -> meer geld

Dit is een exponentiële cyclus waarin van geld meer geld wordt gemaakt, zonder enige maatschappelijke en reële waarde toe te voegen. Deze cyclus van ‘de financiële economie’, krijgt onder andere vorm via valuta- en derivatenspeculatie, ‘asset buyouts’ waarbij bedrijven ontmanteld worden en alle waardevolle bedrijfsonderdelen en bezittingen te gelde worden gemaakt, en veel geld wordt verdiend via het eenvoudige mechanisme van ‘rente-op-rente’. Zo wordt een enorme geldvraag in werking gezet en een enorme schuldenlast opgebouwd. Een belangrijke vraag is dan ook hoe we de ‘financiële economie’ kleiner en weer dienstbaar kunnen maken aan de ‘reële economie’.

Literatuur

McMurtry, J. (1999), The cancer stage of capitalism, Pluto Press, London.

Scharmer, O. & Kaufer, K. (2013), Leading from the Emerging Future: From Ego-System to Eco-System Economics, Berrett-Koehler, San Francisco.

 

Dit artikel is op persoonlijke titel

We zijn levensblind geworden

levensblind

Door het geradicaliseerde neoliberale denken, in combinatie met globale structuren zoals bijvoorbeeld vrijhandelsverdragen die kapitaalstromen en multinationals ruim baan geven, worden wereldwijd sociale en ecologische waarden vernietigd. Multinationals en kapitaalstromen bewegen zich naar die plekken op de wereld waar sociale en ecologische waarden het minst beschermd zijn. De meest kostenefficiënte productie vindt plaats daar waar arbeid het goedkoopst is, en arbeidsomstandigheden en het milieu het minst beschermd zijn. Deze productie onttrekt ter plaatse de sociale en ecologische waarden. Het globale bedrijfsleven dringt binnen bij de sociale en natuurlijke gastheer, het onteigent de sociale en natuurlijke omgevingen, en neemt deze over. Het slurpt ze leeg en verarmt ze. Wanneer alle waarde is onttrokken en ‘vermarkt’, of wanneer de nationale en lokale samenlevingen beschermingsmuren optrekken in de vorm van bijvoorbeeld sociale wetgeving en milieuregels, dan verplaatst de bedrijvigheid van multinationals zich naar een volgende plaats op de wereld, waar de sociale en ecologische waarde-extractie en vernietiging continueert. De groei van financiële winsten voor aandeelhouders van multinationals heeft samenlevingen en de aarde nu uitgehold en uitgeput tot op een niveau waarop herstel bijna onmogelijk is geworden.

Dit ‘marktfundamentalisme’ zijn we normaal gaan vinden. Bij ‘de markt’ denken we aan de neoliberale globale versie van de markt, en we passen dit concept kritiekloos toe op lokale, regionale en nationale markten. Het is dit type ‘marktdenken’ dat onze gedachten stuurt, dat de meningen en visies van veel mensen bepaalt, en dat ons verblindt.

Een gesloten waardeprogramma

Er is een gesloten waardeprogramma actief, een dogma, dat ‘dé markt’ neerzet als een systeem met vaste wetten, en als een autonome entiteit. ‘De markt’ heeft zijn eigen wetten, is onfeilbaar, waardevrij en in control. De werking van de markt is onveranderbaar, het is een blauwdruk. Sterker nog, degene die stelt dat het hier gaat om een specifieke interpretatie van markten en hun werking, degene die stelt dat er ook andere typen markten zijn, en dat een andere aard van de economie wenselijk en mogelijk is, die wordt geridiculiseerd, voorgesteld als iemand met onvoldoende kennis van zaken, neergezet als naïef, idealistisch, extreem links, tegenwerkend, of ideologisch. Het fundamentalistische marktdenken bestrijdt elke vorm van kritische analyse en wijst op het onheil dat op de samenleving afkomt als we de wetten van de markt niet gehoorzamen. Dé markt geeft ‘vrijheid’ en ‘welvaart’, en is de enige optie, er is geen alternatief. Wie kritiek heeft is tegen vrijheid en tegen welvaart. Economische groei geeft werkgelegenheid en vooruitgang voor iedereen, is goed en wenselijk en wie dat anders ziet bepleit achteruitgang en en slechte, ongewenste situatie. Economische groei is het hoogste doel, en al het andere is instrumenteel: bestuur, zorg, educatie, cultuur, sociale voorzieningen, enzovoorts. Het moet zich aanpassen, flexibiliseren, klein maken, dienend opstellen en de ‘noodzakelijke hervormingen’ doorstaan. Al het andere buiten de markt is niet van waarde, en bestaat eigenlijk niet (‘there’s no such thing as society’) want het heeft geen marktwaarde en ‘kost alleen maar geld’. Afwijking van ‘de markt’ leidt onherroepelijk tot een ramp. Dus we moeten erin mee gaan (‘go with the flow’). Terwijl juist het tegenovergestelde aan de hand is. Juist doorgaan vanuit het paradigma van ongeremde financiële-winst-groei wordt de ondergang van mens en natuur en vernietigt het leven zelf.

Het economisch paradigma is levensblind

In het huidige economische paradigma bestaat de aantasting van het leven niet, want het labelt vervuiling en vernietiging van natuurlijke en sociale levenscondities als ‘externaliteiten’. Vanuit deze logica is de productie van bijvoorbeeld junkfood en wapens altijd goed, zolang het winstgevend is. De dominante economische modellen hebben enkel plaats voor geld, niet voor het sociale en natuurlijke leven. Het paradigma is ‘levensblind’. Daarom kan vanuit deze modellen nooit inzicht en bewustzijn ontstaan over de connecties tussen economische, sociale en natuurlijke waarden.

Veel beleidsteksten en rapporten gebruiken de term ‘globalisering’ en stellen dit voor als een ontwikkeling, een autonoom proces dat ons overkomt. Maar het gaat om een actief programma dat keuzes van mensen beïnvloedt om uiteindelijk alle nationale markten van sociale gemeenschappen te openen en de gehele natuurlijke omgeving ter beschikking te stellen voor financiële winstmaximalisatie.

Voor deze agenda van de globale markt is een discours ontwikkeld dat:

  1. Het begrippenkader en beeldvorming van de traditionele vrije markt benut door zich als traditionele markt te maskeren.
  2. Ter onderbouwing van de voordelen verwijst de klassieke markt zoals beschreven door Adam Smith, terwijl het deze principes schendt.
  3. Allerlei vrijheden en voordelen toeschrijft aan de globale markt, die in de praktijk als onvrijheden en nadelen uitpakken.

1. Globale markt gemaskeerd als traditionele markt

Traditionele markt Globale markt
Investeerder Integraal: investeerder = producent = verkoper Gesplitst: Investeerder ≠   producent ≠ verkoper
Product Voedsel, streekproducten op basis van natuurlijke behoefte Elk product dat verkoopt op basis van kunstmatig opgewekte wens
Productiemethode Manueel Machinaal
Verkoopinformatie Persoonlijke kennis Advertenties in             massamedia
Kopers Lokale mensen Massa overal ter             wereld
Prijs Via lokale, directe, face-to-face onderhandeling, cash Vaste prijzen, geen onderhandeling, digitaal
Verkoopplek Open ontmoetingsplek: plein, hal Winkelruimte in eigendom, of direct via magazijn
Economie Levensgroei Financiële-winst-groei

Het globale systeem met als doel financiële-winst-groei voor aandeelhouders doet zich voor als een lokaal systeem van persoonlijke productie voor medeburgers. Junkfood en niet-noodzakelijk spullen worden bijvoorbeeld gepresenteerd als noodzakelijke levensgoederen. In reclames wordt het gebruik of bezit van deze goederen bijvoorbeeld geassocieerd met levensbronnen en natuurlijke bronnen (liefde, zonsondergang, mooie stranden, gezondheid, enzovoorts.). We spreken bijvoorbeeld over de globale marktplaats, hoewel deze niet aan enige plaats gebonden is.

2. Schending van klassieke marktprincipes

McMurtry (1999) toont overtuigend aan dat de huidige globale economische orde geheel tegengesteld is aan de ‘vrije markt principes’ van Adam Smith. De globale vrije markt schendt de uitgangspunten van Adam Smith.

Adam Smith stelde namelijk allerlei voorwaarden aan de werking van markten, willen deze het algemeen belang kunnen dienen. Voorwaarden waaraan de globale markt niet voldoet.

Conditie

Schending
1. Geen monopolie of oligopolie van productie of distributie. Bij diverse typen producten en diensten is er sprake van een monopolie of oligopolie van multinationals, ondersteund en in stand gehouden door overheidssubsidies.
2. Kapitaal en financiële winsten worden geherinvesteerd in de binnenlandse productie en vloeien niet weg naar het buitenland. Financiële winstgroei voor aandeelhouders in combinatie met internationale kapitaalstromen en mondiale logistieke processen leiden ertoe dat de financiële winsten wegvloeien naar het buitenland en niet geherinvesteerd worden op de plaatsen waar de producten worden gemaakt.
3. Investeringen zijn productief en creëren reële waarde. De productie leidt tot een bepaald verkoopbaar goed dat waarde toevoegt en waarvan de waarde blijft bestaan nadat het door mensen is geproduceerd. De grootste investeringen gaan naar financiële producten, in een financiële economie, zonder dat daar enige menselijk arbeid en reële goederenproductie en waardetoevoeging aan te pas komt.
4. Geld dient enkel en alleen de circulatie van verbruiksgoederen, voorraden, materialen, en finale producten. Van geld meer geld maken is het hoofddoel geworden. Middelen daarvoor zijn onder andere de financiële handel in aandelen, derivaten en valutaspeculaties, en tal van andere exotische financiële producten.
5. Geld moet geherinvesteerd worden in productieve banen. Fusies en overnames en de ontmanteling van de publieke sector leiden tot een enorme vernietiging van banen.
 6. Belastingheffing vindt plaats naar betaalvermogen en vooral door de mensen die van de voordelen van overheidsregelingen genieten. De meerderheid van de bevolking betaalt voor de overheidsregelingen waarvan een kleine groep multinationals en internationale investeerders voordeel heeft. Grote bedrijven en zeer vermogende mensen hebben en krijgen allerlei mogelijkheden om minder tot geen belastingen te betalen.
7. Indammen en beperken van de macht van handelaren en vorsten. In de globale markt draait het om financiële winst-groei als enige en hoogste doel, zonder enige beperking.

De ‘onzichtbare hand’ is door het gesloten marktwaardeprogramma onconditioneel gemaakt en geradicaliseerd. Het is geperverteerd in het tegenovergestelde van wat Adam Smith beweerde, met als gevolg een plundering en destructie van publieke waarde.

3. Veronderstelde vrijheden en voordelen

Onder andere op basis van het werk van Friedrich Hayek is een heel raamwerk van begrippen en betekenissen ontwikkeld. Dat discours koppelt een specifieke, radicale interpretatie van de markt aan allerlei vrijheden en voordelen. Mensen zijn in dit discours gesocialiseerd en het discours zelf is ‘genormaliseerd’. Dat wil zeggen dat mensen het als waardeneutraal en ‘bewezen’ ervaren. Een andere discours vinden ze ‘ideologisch’ en ‘waardegeladen’, zonder het besef dat het huidige discours ook ideologisch is, ook een ‘frame’ is, en ook uitdrukking geeft aan waarden, hier: marktwaarden. Hieronder worden deze veronderstelde vrijheden en voordelen op basis van McMurtry van repliek voorzien. Zo ontstaat een scherper beeld van het contrast tussen de principes van de financiële-winst-groei economie en de levensgroei-economie.

Stelling vanuit de financiële-winst-groei economie Repliek vanuit de levensgroei-economie
1. De vrije markt geeft je de vrijheid om te consumeren wat je nodig hebt en wenst. Als je niet genoeg geld hebt om ‘in de vrije markt’ eerste levensbehoeften zoals voedsel te ‘consumeren’, dan ga je dood. In ‘de vrije markt’ koop je de vrijheid. Mensen zonder geld hebben geen vrijheid om te leven.
2. De vrije markt geeft je de vrijheid om goederen of diensten te verkopen tegen elke prijs waarvoor je een transactiepartner kunt vinden. De vrijheid om te verkopen geldt enkel voor mensen die niet zichzelf of hun werk hoeven te verkopen om te overleven.
3. De vrije markt geeft iedereen de vrijheid om te produceren wat ze wil. Echte vrijheid om te produceren zou betekenen dat iedereen, inclusief werknemers, de vrijheid heeft te bepalen wat te produceren en hoe dit te produceren. Maar die vrijheid is er niet. De verplichting naar de aandeelhouders, de verplichting tot financiële winstmaximalisatie, dicteert de relatie tussen producent/werkgever en werknemer. Werknemers moeten daarvoor de aanwijzingen van werkgevers/producenten opvolgen.
4. de ‘vrije markt’ voor producenten, kopers en verkopers is en moet vrij zijn van elke vorm van externe controle. De productie en uitwisseling van goederen en diensten tussen kopers en verkopers komt volledig zonder overheidsinterventie tot stand. De vrije globale markt maakt juist volop onbetaald gebruik van overheidsinterventies. Denk aan overheidsinterventies voor de veiligheid: de politie en het leger, die ook eigendommen van bedrijven beschermen. Denk aan investeringen in de infrastructuur: vaarwateren, wegen en snelwegen om goederen te vervoeren. En denk aan de beschikbaarheid van goed opgeleide mensen via investering in onderwijs, en de beschikbaarstelling van natuurlijke bronnen ter exploitatie door bedrijven.
5. De vrije markt verlaagt de kosten van productie en distributie. Kostenverlaging voor multinationals betekent kostenverhoging voor mensen, overheden, maatschappijen en het milieu.
6. Multinationals hebben lagere kosten per stuk door hun hogere investeringskracht, inkoopkracht, machineparken en enorme productievolumes. Tegenover schaalvoordelen bestaan schaalnadelen:Schaalvoordelen van multinationals duwen lokale, kleine producenten de markt uit. Bovendien leiden schaalvoordelen tot een homogenisering van productiemethoden en productaanbod. Zo ontstaat een monocultuur van producten, en uiteindelijk een ‘monocultuur van de geest’: alles gaat op elkaar lijken.
7. De markt ‘bevordert democratie’. De vrije markt als ‘democratie-bevorderaar’ wordt zelden weersproken. Er bestaat echter nauwelijks bewijs ter ondersteuning van de stelling, en veel bewijs dat het tegendeel aantoont: globale markten ontdemocratiseren.

 

Zo lang democratie zich beperkt tot verkiezingen van partijen en politici die het dominante economische paradigma van de financiele-winst-groei economie niet durven uitdagen, blijft de democratie in de ban van grote bedrijven en banken. Partijen en agenda’s worden zo overgenomen door dezelfde marktprincipes, manieren van denken en redeneren, en een kritische, alternatieve benadering -de levensgroei-economie- verstomt en ontbreekt. De crises worden te lijf gegaan met ‘meer van het zelfde’ en ‘intensiever van hetzelfde’. Waardoor de problemen verergeren, met als gevolg nog meer vernietiging van het sociale en natuurlijke leven. Het is daarom tijd dat meer mensen anders gaan kijken, denken, voelen en praten. Het is tijd dat ons bewustzijn zich naar een volgend niveau ontwikkelt. Een bewustzijn dat het sociale en natuurlijke leven centraal stelt.

 

Literatuur

John McMurtry (1999), The cancer stage of capitalism, Pluto Press, London.

Foto: Pablo Lorenzo

Voor een uitgebreidere versie van dit artikel, klik hier.