Zingeving

zingeving

Toespraak op het afscheidsfeest van het team doedemocratie van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK):

Hallo allemaal, wat fijn dat jullie allemaal gekomen zijn naar ons feestje. Ik zou graag even het woord tot u willen richten. En dat begint met het verhaal van de stakende leraar.

Een aantal jaren geleden protesteerde een leraar tegen de zoveelste bezuiniging op onderwijs. Samen met andere collega’s stond hij op het Malieveld. Een voorbijganger sprak de stakende leraar aan en vroeg naar zijn motivatie.

Na een gloedvol betoog over het belang van onderwijs, en de manieren waarop dit kabinet bezig was het onderwijs kapot te maken, eindigde hij met de zin:

‘Maar uiteindelijk denk ik dat het toch allemaal wel goed zal komen.’

‘Wat zegt u?’ vroeg de voorbijganger. ‘Zegt u dat het allemaal wel goed zal komen? Maar waarom staat u hier dan? Als u denkt dat het allemaal wel goed komt, hoeft u toch ook niet te protesteren?!’

‘Uiteindelijk zal het wel goed komen,’ zei de leraar, ‘en ik sta hier om ervoor te zorgen dat dát proces wat sneller gaat.’

Ik versnel de richting, die het uiteindelijk toch wel opgaat.

Toen ik begon bij het team doedemocratie, was er een zogeheten ‘versnellingsagenda doedemocratie’. Het stond beschreven in zoiets als een ‘kabinetsnota doedemocratie’.

Als doedemocratie is wat wij beogen, en als wij denken dat het die kant opgaat, dan zijn wij wellicht de mensen die dat proces wat kunnen versnellen.

En dus noemden wij onszelf:

versnellers van de doedemocratie.

Dat vond ik om verschillende redenen een mooie titel. Je ziet genoeg mensen voorbij komen die hun baan omschrijven als ‘Hoofd van de afdeling X’, of ‘Leider van team Y’. Sommigen van hen mogen ook graag vertellen: ‘Ik heb x aantal mensen “onder mij” en “Ik ga over zoveel budget”. Dit soort titels en uitspraken zegt iets over de bureaucratische context waarin de mensen werken, maar niets over de maatschappelijk opgave waarmee zij zich bezig houden. Ze geven blijk van een blik naar binnen en beneden, in plaats van naar buiten en naar boven. Ze zijn niet gericht op het grotere verhaal, het grotere vraagstuk waaraan ze bijdragen. Maar bij een ‘versneller van de doedemocratie’ is gelijk helder waaraan hij beoogt bij te dragen.

Bovendien zijn veel van die bureaucratische titels voor buitenstaanders volledig onbegrijpelijk. Ik heb een tijdje de volgende functienaam gehad: ‘senior coördinerend medewerker toezicht IB/BKWI en SVB’. Leg dat maar eens uit. Ik vond het helemaal niks.

En dus wilde ik een andere titelnaam op mijn kaartje hebben staan. Maar destijds bij het ministerie van Sociale Zaken, kon dat helemaal niet. De procedures voor ‘kaartjes drukken’ waren helemaal dichtgeregeld: enkel de formele functienamen werden geprint op de visitekaartjes, en daarmee basta.

Mijn blijdschap was dan ook groot toen ik op het intranet van het ministerie van Binnenlandse Zaken een ‘zelfservice module visitekaartjes’ ontdekte. Nu had ik ook een officieel visitekaartje met rijkslogo waarop de geuzennaam ‘versneller doedemocratie’ prijkte.

Je moet de ruimte benutten die er is!

Maar naast het feit dat deze titel de grotere opgave uitdrukt waaraan wij werken, en het feit dat hij begrijpelijk is, is er een derde reden waarom ik van deze naam genoot.

Het leidde namelijk tot de mooiste gesprekken met mensen. Als je ergens wordt uitgenodigd voor een bijeenkomst, dan checken mensen altijd even op internet met wie ze te maken hebben, jullie kennen dat wel. En deze bijzonder titel leidde dan gelijk tot een gesprek over de opgave van doedemocratie, en over wat versnellen is: versnellen, hoe doe je dat?

Kortom: het gesprek ging over de grotere maatschappelijke opgave waaraan we werken, over je eigen rol daarin en je bijdrage daaraan.Een gesprek over zingeving en motivatie dus.

En dat vind ik de mooiste gesprekken.

De doedemocratie. Dat is waaraan wij samen met jullie, in verschillende verbanden hebben gewerkt de afgelopen jaren. Omdat we dat allemaal belangrijk vinden. En omdat we weten dat de verandering die nu nodig is, niet komt vanuit de politiek of vanuit de ambtenarij, en ook niet vanuit het bedrijfsleven, maar vanuit de mensen zelf.

Vanuit sociale bewegingen, sociale initiatieven, en sociaal ondernemerschap. Vanuit alles wat sociaal is dus!

De gemeenschap en het gemeengoed. Daar zit de veranderkracht!

Daar werken we aan, voor en mee, en daarvan maken wij zelf deel uit. Met elkaar zijn wij, zoals we hier staan, ook een gemeenschap. Wij zijn een gemeenschap met versnellers van de doedemocratie.

Iemand vroeg me of het zinvol was naar deze bijeenkomst te komen. Of het zinvol was toe te treden tot deze gemeenschap.

‘Gaat het over de inhoud, komen er workshops enzo?’

‘…ehh, nou nee,’ was mijn antwoord.

‘Komen er mensen die interessant zijn voor mijn netwerk? ’

‘…ehh…ja…dat ook,’ was mijn antwoord.

‘Maar je moet vooral komen, omdat het allemaal erg leuke en gezellige mensen zijn!’, zei ik. ‘Het is vooral gezellig.’

Dat deed me denken aan een uitspraak van mijn moeder die jarenlang bloemiste is geweest. ‘Er is iets met de bloemensector’, zei ze eens. ‘De mensen die in de bloemensector werken zijn altijd vrolijk. Bloemen zijn een vrolijk product: ze ruiken lekker en ze zien er mooi uit! De bloemen maken de mensen vrolijk, en vrolijke mensen werken graag met bloemen.’ Ja, bloemen houden van vrolijke mensen en vrolijke mensen houden van bloemen.

Misschien geldt dat ook wel voor de doedemocratie. Mensen die daaraan werken weten van het belang van de dialoog en deliberatie. Het belang om goed te luisteren en elkaar uit te laten praten. Het respect dat je altijd moet blijven opbrengen voor minderheden en alternatieve standpunten. Democratie niet alleen als concept, maar ook als directe ervaring.

De mensen die in deze sector werken, jullie dus, zijn wellicht daarom betere luisteraars, en daardoor prettig gezelschap om mee om te gaan! Jullie zijn in staat een goed gesprek te voeren, en een goed gesprek te begeleiden. Ja, de democratie houdt van goede gespreksvoerders en goede gespreksvoerders houden van de democratie.

Dat goede gesprek is nu meer dan nodig.

Als je het NOS Jaaroverzicht op je laat inwerken dan kan je maar tot één conclusie komen: de wereld staat in de fik.

Mensen zijn bang, en het bestuur is bang. Iedereen is bang. Er is een stapeling van crisissen: de banken, de economie, de vluchtelingen, het terrorisme. Dat leidt tot een stapeling van angsten. We houden elkaar gevangen in een neerwaartse spiraal.

Het bestuur doet meer en intensiever van hetzelfde. Besluiten worden er nog krachtdadiger doorheen gejast. Het volk wordt bozer en gewelddadiger. De sfeer wordt grimmig en de boel polariseert.

We moeten de opwaartse spiraal weer zien te vinden. En dat kan alleen door de ontwikkeling van nieuwe vormen van economie en democratie. En nogmaals: dat komt vanuit mensen en gemeenschappen zelf.

Maar verandering doet ook pijn. We moeten het oude loslaten, en het nieuwe verwelkomen. Het oude is alomtegenwoordig en bekend. Het geeft ons inkomen, macht en zekerheid. Het nieuwe is eng en onbekend, we weten niet wat het ons brengt.

‘Kijk jullie nou eens zitten’, zei een docent die les gaf tijdens een leergang veranderkunde waaraan ik deelnam.

‘Allemaal een mooie opleiding, en een fijne baan’.

‘En jullie willen veranderen?’

‘Maar wat hebben jullie nu eigenlijk te verliezen?’

En hij had gelijk.

Zo ook was er eens een hoogleraar die zich had voorgenomen om een paar maanden lang andere kranten te lezen dan zijn gebruikelijke NRC en Volkskrant, zodat hij ook andere perspectieven tot zich kon nemen. Zodat hij het gewone volk beter zou begrijpen.

‘Gaat hij ook een tijdje in de schilderswijk wonen dan?’, vroeg een burgemeester.

En hij had gelijk.

En toen kwam de reorganisatie. En het werd al snel duidelijk dat er een andere wind ging waaien in het departement. Tweets werden gemonitord, sommige collega’s werden gekleineerd, anderen werden opeens doodgeknuffeld. Een soort Poolse toestanden.

In één van de toelichtingsronden op de reorganisatie zei een manager nogal expliciet:

‘de functie van versneller doedemocratie zal bij de reorganisatie verdwijnen’.

Ik was vereerd door deze bijzondere vermelding van onze geuzennaam.

Ik herhaal, hij zei: ‘de functie van versneller doedemocratie zal bij de reorganisatie verdwijnen’.

We hebben toch maar mooi bereikt dat sommige collega’s denken dat ‘versneller doedemocratie’ een formele functie is, die je weg kunt reorganiseren!

Als je de ruimte pakt om zelf een functienaam te verzinnen, dan creëer je ook in de bureaucratie nieuwe feiten, zo zie je maar weer!

Toen we als team onze reactie op de reorganisatie aan de DG gingen versturen, was er een gedenkwaardig moment:

Vanuit wiens mailbox gingen wij deze kritische reactie versturen? Wiens carrière ging we hier aan gruzelementen helpen?

Dan maar de mailbox van Jan, die gaat toch binnenkort met pensioen!! En terwijl we er om moesten lachen, keken we elkaar aan en wisten we genoeg: we zijn zo langzamerhand in een angstcultuur beland.

Natuurlijk gingen wij allemaal in verschillende snelheden en in verschillende volgordes de bekende fasen van rouw door: ontkenning, woede, verzet, neerslachtigheid, acceptatie, enzovoorts.

Een tijdje geleden kwam ik Ron tegen, en we spraken over dit aanstaande feestje. ‘Ga je weer lekker de disckjockey uithangen?!’ Vroeg ik hem.

‘Nee joh, wat denk jij wel. Ik voel me echt niet zo dat ik eens lekker ga feesten.’ Ron was nog steeds boos en teleurgesteld.

‘We gaan gewoon lekker bieren man!, het is feest hoor!,’ zei ik. Dus als je dadelijk tegen Ron aanloopt, haal dan nog een extra biertje voor hem.

Waar ik trots op ben is dat we als team, ondanks de sfeer van angst en tweespalt, een hechte mini-gemeenschap zijn gebleven. Zoals wij ook, zoals we hier staan, met elkaar een gemeenschap zullen blijven, BZK-reorganisatie of niet.

Want wat ons heeft geholpen is om terug te keren naar de vraag wie we zijn en waaraan we bijdragen. De zingevinsvraag, daar is ie weer.

We werken aan iets dat groter is dan wijzelf.

En dat is dus ook groter dan een afdeling, directie, manager, directeur of minister. Groter dan een ministerie of de politiek.

Het mooie daarvan is, dat je kunt blijven bijdragen, ongeacht de plek waar je zit.

Dus wij zeggen vandaag ‘Doei!’ tegen het team doedemocratie bij BZK, en we vieren eens te meer de maatschappelijke opgave waaraan wij werken.

Ik zeg: lang leve de doedemocratie!

We zijn levensblind geworden

levensblind

Door het geradicaliseerde neoliberale denken, in combinatie met globale structuren zoals bijvoorbeeld vrijhandelsverdragen die kapitaalstromen en multinationals ruim baan geven, worden wereldwijd sociale en ecologische waarden vernietigd. Multinationals en kapitaalstromen bewegen zich naar die plekken op de wereld waar sociale en ecologische waarden het minst beschermd zijn. De meest kostenefficiënte productie vindt plaats daar waar arbeid het goedkoopst is, en arbeidsomstandigheden en het milieu het minst beschermd zijn. Deze productie onttrekt ter plaatse de sociale en ecologische waarden. Het globale bedrijfsleven dringt binnen bij de sociale en natuurlijke gastheer, het onteigent de sociale en natuurlijke omgevingen, en neemt deze over. Het slurpt ze leeg en verarmt ze. Wanneer alle waarde is onttrokken en ‘vermarkt’, of wanneer de nationale en lokale samenlevingen beschermingsmuren optrekken in de vorm van bijvoorbeeld sociale wetgeving en milieuregels, dan verplaatst de bedrijvigheid van multinationals zich naar een volgende plaats op de wereld, waar de sociale en ecologische waarde-extractie en vernietiging continueert. De groei van financiële winsten voor aandeelhouders van multinationals heeft samenlevingen en de aarde nu uitgehold en uitgeput tot op een niveau waarop herstel bijna onmogelijk is geworden.

Dit ‘marktfundamentalisme’ zijn we normaal gaan vinden. Bij ‘de markt’ denken we aan de neoliberale globale versie van de markt, en we passen dit concept kritiekloos toe op lokale, regionale en nationale markten. Het is dit type ‘marktdenken’ dat onze gedachten stuurt, dat de meningen en visies van veel mensen bepaalt, en dat ons verblindt.

Een gesloten waardeprogramma

Er is een gesloten waardeprogramma actief, een dogma, dat ‘dé markt’ neerzet als een systeem met vaste wetten, en als een autonome entiteit. ‘De markt’ heeft zijn eigen wetten, is onfeilbaar, waardevrij en in control. De werking van de markt is onveranderbaar, het is een blauwdruk. Sterker nog, degene die stelt dat het hier gaat om een specifieke interpretatie van markten en hun werking, degene die stelt dat er ook andere typen markten zijn, en dat een andere aard van de economie wenselijk en mogelijk is, die wordt geridiculiseerd, voorgesteld als iemand met onvoldoende kennis van zaken, neergezet als naïef, idealistisch, extreem links, tegenwerkend, of ideologisch. Het fundamentalistische marktdenken bestrijdt elke vorm van kritische analyse en wijst op het onheil dat op de samenleving afkomt als we de wetten van de markt niet gehoorzamen. Dé markt geeft ‘vrijheid’ en ‘welvaart’, en is de enige optie, er is geen alternatief. Wie kritiek heeft is tegen vrijheid en tegen welvaart. Economische groei geeft werkgelegenheid en vooruitgang voor iedereen, is goed en wenselijk en wie dat anders ziet bepleit achteruitgang en en slechte, ongewenste situatie. Economische groei is het hoogste doel, en al het andere is instrumenteel: bestuur, zorg, educatie, cultuur, sociale voorzieningen, enzovoorts. Het moet zich aanpassen, flexibiliseren, klein maken, dienend opstellen en de ‘noodzakelijke hervormingen’ doorstaan. Al het andere buiten de markt is niet van waarde, en bestaat eigenlijk niet (‘there’s no such thing as society’) want het heeft geen marktwaarde en ‘kost alleen maar geld’. Afwijking van ‘de markt’ leidt onherroepelijk tot een ramp. Dus we moeten erin mee gaan (‘go with the flow’). Terwijl juist het tegenovergestelde aan de hand is. Juist doorgaan vanuit het paradigma van ongeremde financiële-winst-groei wordt de ondergang van mens en natuur en vernietigt het leven zelf.

Het economisch paradigma is levensblind

In het huidige economische paradigma bestaat de aantasting van het leven niet, want het labelt vervuiling en vernietiging van natuurlijke en sociale levenscondities als ‘externaliteiten’. Vanuit deze logica is de productie van bijvoorbeeld junkfood en wapens altijd goed, zolang het winstgevend is. De dominante economische modellen hebben enkel plaats voor geld, niet voor het sociale en natuurlijke leven. Het paradigma is ‘levensblind’. Daarom kan vanuit deze modellen nooit inzicht en bewustzijn ontstaan over de connecties tussen economische, sociale en natuurlijke waarden.

Veel beleidsteksten en rapporten gebruiken de term ‘globalisering’ en stellen dit voor als een ontwikkeling, een autonoom proces dat ons overkomt. Maar het gaat om een actief programma dat keuzes van mensen beïnvloedt om uiteindelijk alle nationale markten van sociale gemeenschappen te openen en de gehele natuurlijke omgeving ter beschikking te stellen voor financiële winstmaximalisatie.

Voor deze agenda van de globale markt is een discours ontwikkeld dat:

  1. Het begrippenkader en beeldvorming van de traditionele vrije markt benut door zich als traditionele markt te maskeren.
  2. Ter onderbouwing van de voordelen verwijst de klassieke markt zoals beschreven door Adam Smith, terwijl het deze principes schendt.
  3. Allerlei vrijheden en voordelen toeschrijft aan de globale markt, die in de praktijk als onvrijheden en nadelen uitpakken.

1. Globale markt gemaskeerd als traditionele markt

Traditionele markt Globale markt
Investeerder Integraal: investeerder = producent = verkoper Gesplitst: Investeerder ≠   producent ≠ verkoper
Product Voedsel, streekproducten op basis van natuurlijke behoefte Elk product dat verkoopt op basis van kunstmatig opgewekte wens
Productiemethode Manueel Machinaal
Verkoopinformatie Persoonlijke kennis Advertenties in             massamedia
Kopers Lokale mensen Massa overal ter             wereld
Prijs Via lokale, directe, face-to-face onderhandeling, cash Vaste prijzen, geen onderhandeling, digitaal
Verkoopplek Open ontmoetingsplek: plein, hal Winkelruimte in eigendom, of direct via magazijn
Economie Levensgroei Financiële-winst-groei

Het globale systeem met als doel financiële-winst-groei voor aandeelhouders doet zich voor als een lokaal systeem van persoonlijke productie voor medeburgers. Junkfood en niet-noodzakelijk spullen worden bijvoorbeeld gepresenteerd als noodzakelijke levensgoederen. In reclames wordt het gebruik of bezit van deze goederen bijvoorbeeld geassocieerd met levensbronnen en natuurlijke bronnen (liefde, zonsondergang, mooie stranden, gezondheid, enzovoorts.). We spreken bijvoorbeeld over de globale marktplaats, hoewel deze niet aan enige plaats gebonden is.

2. Schending van klassieke marktprincipes

McMurtry (1999) toont overtuigend aan dat de huidige globale economische orde geheel tegengesteld is aan de ‘vrije markt principes’ van Adam Smith. De globale vrije markt schendt de uitgangspunten van Adam Smith.

Adam Smith stelde namelijk allerlei voorwaarden aan de werking van markten, willen deze het algemeen belang kunnen dienen. Voorwaarden waaraan de globale markt niet voldoet.

Conditie

Schending
1. Geen monopolie of oligopolie van productie of distributie. Bij diverse typen producten en diensten is er sprake van een monopolie of oligopolie van multinationals, ondersteund en in stand gehouden door overheidssubsidies.
2. Kapitaal en financiële winsten worden geherinvesteerd in de binnenlandse productie en vloeien niet weg naar het buitenland. Financiële winstgroei voor aandeelhouders in combinatie met internationale kapitaalstromen en mondiale logistieke processen leiden ertoe dat de financiële winsten wegvloeien naar het buitenland en niet geherinvesteerd worden op de plaatsen waar de producten worden gemaakt.
3. Investeringen zijn productief en creëren reële waarde. De productie leidt tot een bepaald verkoopbaar goed dat waarde toevoegt en waarvan de waarde blijft bestaan nadat het door mensen is geproduceerd. De grootste investeringen gaan naar financiële producten, in een financiële economie, zonder dat daar enige menselijk arbeid en reële goederenproductie en waardetoevoeging aan te pas komt.
4. Geld dient enkel en alleen de circulatie van verbruiksgoederen, voorraden, materialen, en finale producten. Van geld meer geld maken is het hoofddoel geworden. Middelen daarvoor zijn onder andere de financiële handel in aandelen, derivaten en valutaspeculaties, en tal van andere exotische financiële producten.
5. Geld moet geherinvesteerd worden in productieve banen. Fusies en overnames en de ontmanteling van de publieke sector leiden tot een enorme vernietiging van banen.
 6. Belastingheffing vindt plaats naar betaalvermogen en vooral door de mensen die van de voordelen van overheidsregelingen genieten. De meerderheid van de bevolking betaalt voor de overheidsregelingen waarvan een kleine groep multinationals en internationale investeerders voordeel heeft. Grote bedrijven en zeer vermogende mensen hebben en krijgen allerlei mogelijkheden om minder tot geen belastingen te betalen.
7. Indammen en beperken van de macht van handelaren en vorsten. In de globale markt draait het om financiële winst-groei als enige en hoogste doel, zonder enige beperking.

De ‘onzichtbare hand’ is door het gesloten marktwaardeprogramma onconditioneel gemaakt en geradicaliseerd. Het is geperverteerd in het tegenovergestelde van wat Adam Smith beweerde, met als gevolg een plundering en destructie van publieke waarde.

3. Veronderstelde vrijheden en voordelen

Onder andere op basis van het werk van Friedrich Hayek is een heel raamwerk van begrippen en betekenissen ontwikkeld. Dat discours koppelt een specifieke, radicale interpretatie van de markt aan allerlei vrijheden en voordelen. Mensen zijn in dit discours gesocialiseerd en het discours zelf is ‘genormaliseerd’. Dat wil zeggen dat mensen het als waardeneutraal en ‘bewezen’ ervaren. Een andere discours vinden ze ‘ideologisch’ en ‘waardegeladen’, zonder het besef dat het huidige discours ook ideologisch is, ook een ‘frame’ is, en ook uitdrukking geeft aan waarden, hier: marktwaarden. Hieronder worden deze veronderstelde vrijheden en voordelen op basis van McMurtry van repliek voorzien. Zo ontstaat een scherper beeld van het contrast tussen de principes van de financiële-winst-groei economie en de levensgroei-economie.

Stelling vanuit de financiële-winst-groei economie Repliek vanuit de levensgroei-economie
1. De vrije markt geeft je de vrijheid om te consumeren wat je nodig hebt en wenst. Als je niet genoeg geld hebt om ‘in de vrije markt’ eerste levensbehoeften zoals voedsel te ‘consumeren’, dan ga je dood. In ‘de vrije markt’ koop je de vrijheid. Mensen zonder geld hebben geen vrijheid om te leven.
2. De vrije markt geeft je de vrijheid om goederen of diensten te verkopen tegen elke prijs waarvoor je een transactiepartner kunt vinden. De vrijheid om te verkopen geldt enkel voor mensen die niet zichzelf of hun werk hoeven te verkopen om te overleven.
3. De vrije markt geeft iedereen de vrijheid om te produceren wat ze wil. Echte vrijheid om te produceren zou betekenen dat iedereen, inclusief werknemers, de vrijheid heeft te bepalen wat te produceren en hoe dit te produceren. Maar die vrijheid is er niet. De verplichting naar de aandeelhouders, de verplichting tot financiële winstmaximalisatie, dicteert de relatie tussen producent/werkgever en werknemer. Werknemers moeten daarvoor de aanwijzingen van werkgevers/producenten opvolgen.
4. de ‘vrije markt’ voor producenten, kopers en verkopers is en moet vrij zijn van elke vorm van externe controle. De productie en uitwisseling van goederen en diensten tussen kopers en verkopers komt volledig zonder overheidsinterventie tot stand. De vrije globale markt maakt juist volop onbetaald gebruik van overheidsinterventies. Denk aan overheidsinterventies voor de veiligheid: de politie en het leger, die ook eigendommen van bedrijven beschermen. Denk aan investeringen in de infrastructuur: vaarwateren, wegen en snelwegen om goederen te vervoeren. En denk aan de beschikbaarheid van goed opgeleide mensen via investering in onderwijs, en de beschikbaarstelling van natuurlijke bronnen ter exploitatie door bedrijven.
5. De vrije markt verlaagt de kosten van productie en distributie. Kostenverlaging voor multinationals betekent kostenverhoging voor mensen, overheden, maatschappijen en het milieu.
6. Multinationals hebben lagere kosten per stuk door hun hogere investeringskracht, inkoopkracht, machineparken en enorme productievolumes. Tegenover schaalvoordelen bestaan schaalnadelen:Schaalvoordelen van multinationals duwen lokale, kleine producenten de markt uit. Bovendien leiden schaalvoordelen tot een homogenisering van productiemethoden en productaanbod. Zo ontstaat een monocultuur van producten, en uiteindelijk een ‘monocultuur van de geest’: alles gaat op elkaar lijken.
7. De markt ‘bevordert democratie’. De vrije markt als ‘democratie-bevorderaar’ wordt zelden weersproken. Er bestaat echter nauwelijks bewijs ter ondersteuning van de stelling, en veel bewijs dat het tegendeel aantoont: globale markten ontdemocratiseren.

 

Zo lang democratie zich beperkt tot verkiezingen van partijen en politici die het dominante economische paradigma van de financiele-winst-groei economie niet durven uitdagen, blijft de democratie in de ban van grote bedrijven en banken. Partijen en agenda’s worden zo overgenomen door dezelfde marktprincipes, manieren van denken en redeneren, en een kritische, alternatieve benadering -de levensgroei-economie- verstomt en ontbreekt. De crises worden te lijf gegaan met ‘meer van het zelfde’ en ‘intensiever van hetzelfde’. Waardoor de problemen verergeren, met als gevolg nog meer vernietiging van het sociale en natuurlijke leven. Het is daarom tijd dat meer mensen anders gaan kijken, denken, voelen en praten. Het is tijd dat ons bewustzijn zich naar een volgend niveau ontwikkelt. Een bewustzijn dat het sociale en natuurlijke leven centraal stelt.

 

Literatuur

John McMurtry (1999), The cancer stage of capitalism, Pluto Press, London.

Foto: Pablo Lorenzo

Voor een uitgebreidere versie van dit artikel, klik hier.