Goed doen

GoedDoenNL2

‘Waarom is het in Nederland zo moeilijk om goed te doen?’, verzuchtte een financieel expert. Hij was één van de deelnemers aan een sessie over ‘knelpunten in de doe-democratie’. Diverse duo’s van maatschappelijk initiatiefnemers en gemeenteambtenaren hadden knelpunten beschreven die zij ervaren bij de realisatie van maatschappelijk initiatief. Het waren knelpunten rondom aanbestedingen, belastingen en aansprakelijkheid.

In diverse gedaanten zag ik dezelfde onderliggende spanningen terugkomen. Overheidsprocedures zijn gericht op grote organisaties. Initiatieven zijn kleinschalig. Overheidseisen zijn geënt op professionals. Initiatiefnemers zijn semiprofessionele betrokkenen. Overheden denken en werken vanuit sectorale indelingen. Maatschappelijke initiatieven combineren allerlei functies, dwars door de sectoren heen.

Het overheidsbeleid en de daarop gebaseerde procedures stammen uit de tijd dat ambtenaren de wereld konden indelen in twee categorieën. Enerzijds is er de wereld van profit. Dit is het dagelijkse werk van professionals in commerciële organisaties. Het draait hier om resultaatgerichtheid. Anderzijds is er de wereld van non-profit. Dit is het vrijwilligerswerk dat mensen in het weekend en de avonduren doen bij een vereniging, stichting of kerk. Hier draait het om betrokkenheid.

De overheid heeft in dit schema heldere rollen ten opzichte van partijen in beide werelden. De overheid waarborgt de legitimiteit. Voor de vrijwilligers is de overheid een subsidieverstrekker. Daar zijn procedures voor bedacht, met criteria voor transparantie en verantwoording. Voor de commerciële organisaties is de overheid een opdrachtgever, een toezichthouder en een marktmeester. Ook daarvoor zijn procedures bedacht, met criteria voor kwaliteit, professionaliteit, omzetgrootte, veiligheid, enzovoort.

Maar de wereld is veranderd. Het moderne maatschappelijke initiatief combineert goed doen met een verdienmodel. Het wil op eigen benen staan en onafhankelijk van subsidies zijn. Dat verlangen overheden en fondsen ook. Het initiatief produceert daartoe economische waarde. Die economische winst blijft bijzaak. Het is een noodzakelijke randvoorwaarde voor de continuïteit van de sociaal-maatschappelijke waardecreatie. We zouden het moderne maatschappelijke initiatief als een nieuwe wereld kunnen opvatten. De wereld van for benefit.

De overheid weet daarmee nog niet om te gaan. Ze duwt for benefit in het oude schema van profit en non-profit. Jammer genoeg voor de initiatiefnemers vallen ze, zodra er sprake is van enige economische waardecreatie, negen van de tien keer in de profit-categorie. Ik zag laatst een Loesje-poster die dit op grappige wijze samenvat:

‘Denk je onafhankelijk te zijn met je moestuin en je zonnepaneel, wil de Belastingdienst een derde van de bloemkool hebben.’

De uitwerking is minder grappig: een overheid die de participatiesamenleving met de mond belijdt, maar in gedrag allerlei initiatieven beperkt en in de kiem smoort.

Waardecreatie vindt tegenwoordig vooral plaats in netwerken. Overheden, bedrijven en initiatiefnemers nemen daaraan allen deel. Nu het speelveld zich heeft verbreed is het tijd dat alle partijen ook hun blik verbreden. Ze moeten meer oog krijgen voor andere waarden. En hun criteria daarop baseren.

Commerciële organisaties kijken dan voorbij de P van profit. Van nature zijn ze resultaatgericht en goed in economisch rendement. Maar hoe goed scoren ze op sociale en ecologische impact? En hoe goed scoren ze op legitimiteit en betrokkenheid? Zijn ze transparant? Geven ze iets terug aan de samenleving?

Maatschappelijk initiatiefnemers kijken dan voorbij de P’s van persoon en planeet. Van nature zijn ze goed in de organisatie van betrokkenheid. Maar hoe goed scoren ze op economische continuïteit en legitimiteit? Zijn ze in staat te voldoen aan een aantal spelregels die nu eenmaal gelden als je deelneemt aan het sociaal-maatschappelijke en het economische verkeer? Kunnen ze hun maatschappelijke impact bewijzen en zich daarover verantwoorden? Zijn de initiatieven transparant over welke groepen mensen ze in- en uitsluiten?

En overheden kijken dan voorbij de P’s van politiek en procedures. Naast legitimiteit en resultaatgerichtheid stellen ze criteria voor de organisatie van betrokkenheid. Zijn overheden in staat verder te kijken dan procedures die zijn gebaseerd op gelijke behandeling van iedereen? Kunnen ambtenaren bij aanbestedingen verder kijken dan de laagste prijs op basis van schaalvoordelen? Hebben bestuurders het lef om voorbij legitimiteitseisen te gaan en onderscheid te maken?

Pas dan, als alle partijen vanuit meerdere waarden handelen en elkaar de maat nemen, zal het in Nederland makkelijker zijn om goed te doen.

Abonneer u op mijn nieuwsbrief! Wanneer een nieuwe blog verschijnt, ontvangt u per mail een attendering. U kunt u op elk gewenst moment weer uitschrijven.