De levensgroei economie

levenseconomie

De levensgroei-economie, of kortweg ‘levenseconomie’, is een economie die de kwaliteit van het menselijke en natuurlijke leven beschermt, ontwikkelt en reproduceert. Het is een duurzame, circulaire economie. Daarbij staat de mens niet boven de natuur, maar is de mens onderdeel van een natuurlijk ecosysteem. De mens is (ook) de natuur. Otto Scharmer en Katrin Kaufer (2013) noemen deze verandering van perspectief ‘van een op ego-systemen gebaseerde economie naar een op eco-systemen gebaseerde economie’. Kortgezegd: ‘van ego naar eco’.

Ego-vs-EcoAls we de mens als natuur beschouwen, zien we beter dat we, door het natuurlijke ecosysteem te vervuilen, uit te putten en te vernietigen, hetzelfde doen met het menselijke leven. De huidige ongeremde globale economische groei met grootschalige destructie van mondiale ecosystemen, met financiële baten voor enkelen (1%) en hoge sociale kosten voor velen (99%), is niet langer houdbaar. Het is een paradigma van oneindige groei op een eindige planeet. Het is een paradigma waarin we juist dat wat schaars en eindig is, de natuur, als overvloedig en oneindig beschouwen. Terwijl we tegelijkertijd dat wat overvloedig en oneindig aanwezig is, onze creativiteit en kennis, kunstmatig schaars maken en met copyrights en patenten beschermen.

Na tientallen jaren waarin we economische groei als centraal doel hebben gesteld, moeten we nu de levensgroei weer centraal stellen en de economische groei weer leren zien als een middel tot levensgroei. Dat middel is een evenwichtige, kwalitatieve, duurzame welvaart ten dienste van allen (of in ieder geval de meerderheid). De basis van deze economie is gelegen in een productieve, maatschappelijke functie en bijdrage. De levenseconomie verdiept en verbreedt de maatschappij door te voorzien in levensbehoeften, door te investeren in sociaal-maatschappelijk en economische voorzieningen en infrastructuren, en door de natuur duurzaam te benutten en te onderhouden. Financieel-economische groei is en kan nooit een doel in zichzelf zijn. Toch is dat, de economie en economische groei als doel en al het andere als middel, de huidige dominante manier van denken, kijken en praten. Het is het huidige discours.

Laatst nam ik deel aan een interessante discussie over het verschil tussen reële waarde en financiële waarde. Het ontbrak in deze discussie aan conceptuele scherpte over wat we nu eigenlijk bedoelen met reële waarde en financiële waarde. Vanuit mijn perspectief is reële waardetoevoeging onderdeel van de levenseconomie. Die waarde komt in de vorm van levensgoederen en andere goederen die bijdragen aan de groei, kwaliteit of ontwikkeling van het leven. Geld is daarbij een middel om zelf (levens)goederen te kunnen produceren, en om -op basis van een natuurlijke behoefte- andere levensmiddelen te kunnen bemachtigen. In de levenseconomie ontstaat dus ook financiële waarde door levensgoederen te monetariseren, maar geld is daarbij altijd een middel. Aan het andere uiteinde van een (conceptueel) spectrum zit de financiële winstgroei economie waar financiële winstgroei (in tegenstelling tot levensgroei) een doel op zichzelf is geworden. Daar draait het alleen nog maar om ‘van geld meer geld maken’. Deze ‘financiële economie’ is enkel gebaseerd op financiële verwachtingen en heeft geen relatie meer met reële waardecreatie in de vorm van goederen (of diensten) die het leven ontwikkelen of positieve kwaliteit geven. Sterker nog, de financiële winstgroei-economie onttrekt levenswaarde en vernietigt het leven.

In discussies over perspectieven op de economie verzuchten mensen die overtuigd zijn van het postkapitalisme of ‘de levenseconomie’ wel eens hoe zij anderen ‘wakker kunnen maken’. Wat is ervoor nodig meer mensen te laten ‘ontwaken’ of te laten komen op ‘een hoger bewustzijnsniveau’. Is het een kwestie van vergrijzing waardoor steeds meer mensen ‘oud en wijs’ worden? Neemt door de vergrijzing onze collectieve wijsheid toe? Of zijn er vooral concrete, praktische instrumenten nodig om een verandering te realiseren, en moeten we vooral ‘leren door te doen’ op basis van design thinking? Of moeten de crises zich verder opstapelen en moet de situatie verergeren totdat meer mensen ervan overtuigd raken dat een ander perspectief op de economie en een nieuw mens- en maatschappijbeeld nodig zijn?

Het is vast een combinatie van factoren. Zo ook zal enige conceptuele scherpte in wat we nu bedoelen bijdragen. Hieronder maak ik op basis van het werk van John McMurtry (1999) in een aantal stappen de verschillen duidelijk(er) tussen enerzijds de levensgroei economie en anderzijds de financiële winstgroei economie. Ik geef vijf aanscherpingen in onze manier van kijken. In de lijn van de metafoor ‘wakker worden’ is het namelijk belangrijk om, als je eenmaal ontwaakt bent, ‘steeds scherper kunnen te zien’.

1. Negatieve levenseffecten van productie ‘Externaliteit’ bij efficiënte productie, of sociale kosten en milieukosten?
2. Kunstmatige levensgoederen Drinkwater of gepatenteerd suikerwater?
3. Kunstmatige bezitswensen Natuurlijke behoefte aan fruit (appel), of kunstmatig opgewekte bezitswens van gadget (apple)?
4. Dodelijke goederen Wapenindustrie of normalisatie van dodelijke goederen?
5. Financiële industrie Van geld meer geld maken, en levenswaarde onttrekken.

Duurzame productie voor natuurlijke behoeften

Geld als universeel middel voor de uitwisseling van levensgoederen dient het leven zelf. Denk aan een bakker die brood maakt en verkoopt, en van de financiële winst andere levensgoederen koopt. De productie van levenswaarde begint met leven (graan), dat via een productieproces (met behulp van andere natuurbronnen, arbeid, machines) waarin reële waarde en een concreet goed wordt geproduceerd (brood), leidt tot geld dat de bakker kan inruilen voor andere levensmiddelen, hetgeen leidt tot meer leven.

De levenseconomie-formule is:

Leven -> Levensgoederen -> Geld -> Andere Levensgoederen -> Meer Leven

In deze formule volstaat het om enkel levensgoederen te produceren om, via het geld dat dit opbrengt, te kunnen beschikken over voldoende andere levensgoederen.

Niet meer geld, maar voldoende geld om te leven is het doel.

De bakker produceert de hoeveelheid brood die hij met zijn gezin of familie zelf nodig heeft, en een overschot om (via het geld dat dit oplevert) te kunnen ruilen voor andere levensgoederen die hij nodig heeft. Zo werkt het ook bij andere producenten in de levenseconomie. De producent heeft bij de productie oog voor sociale en veilige arbeid (het werk zelf, de arbeidsplaats en de beloning) en gaat duurzaam om met natuurlijke (grond)stoffen. Hij draagt zo bij aan de reële lokale economie.

In de kern van deze formule voor ‘levensgoederenproductie’ is ook de kapitalistische basisformule zichtbaar waarin het doel is om financiële opbrengsten te maximaliseren en financiële kosten te minimaliseren:

Geld -> Goederen -> Meer geld

Merk op dat de levensproductieformule begint en eindigt met leven, en de kapitalistische winstformule begint en eindigt met geld. Je zou de levensformule circulair kunnen maken door van het einde van de formule, ‘Meer leven’, een pijl te trekken naar het begin van de formule. Levensgoederen leiden zo tot (meer) geld en tot (meer) levensgoederen/leven. Als je vervolgens het accent anders legt, geld leidt tot goederen en tot meer geld, komt je uit op de kapitalistische winstformule. Hieronder laat ik zien hoe deze kapitalistische formule in stappen van karakter wijzigt waardoor uiteindelijk de reële waardecreatie (goederen) volledig verdwijnt en alleen geld en financiële winstgroei over blijven.

We kunnen goederen die het leven ontwikkelen of vergroten noteren als lG+, en goederen die het leven verminderen of verslechteren noteren als lG- (De l staat daarbij voor leven en de G voor goed). Als de productie van levensgoederen duurzaam is, zoals in het bovenstaande voorbeeld van een duurzame bakker, dan kunnen we dat effect noteren als (+). Geld leidt dan op een duurzame manier tot goederen die het leven ontwikkelen en vergroten:

Geld -> lG+ (+) -> meer Geld (-> meer leven)

Maar productie van levensgoederen kan ook plaatsvinden op een niet-duurzame, levensverminderende manier. Denk bijvoorbeeld aan de productie van kleding in mensonterende arbeidsomstandigheden, bij werktijden van 80 uur per week, tegen een erbarmelijk loon, met verspilling van grote hoeveelheden water. Er wordt weliswaar een levensgoed geproduceerd (kleding), maar het heeft voor de arbeiders en de natuur diverse levensdestructieve effecten, genoteerd als (-).

Geld -> lG+ (-) -> meer Geld

Eerste aanscherping: negatieve levenseffecten

Dit is een eerste aanscherping van ons perspectief. Mensen die kijken vanuit het gangbare economische perspectief zien deze negatieve levenseffecten (-) niet. Sociale en maatschappelijke kosten zijn daarin ‘externaliteiten’ van een ‘ waardevrije’ en gewenste efficiënte productie tegen de laagst mogelijke kosten, en met een hoogst mogelijke financiële winst. Het neoliberale economische perspectief herkent en erkent deze sociale kosten en milieukosten niet. Mensen die vanuit dit perspectief kijken zijn in feite ‘levensblind’ en accepteren kritiekloos de gangbare kapitalistische formule. Deze formule, en de daarop gebaseerde economische modellen, maken het onmogelijk te zien dat het uiteindelijke resultaat is ‘meer geld voor sommigen (1%)’ en ‘hoge sociale en economische kosten voor anderen (99%) en het milieu’.

Tweede aanscherping: kunstmatige levensgoederen

Een tweede aanscherping van ons perspectief, is dat we zien dat bedrijven, op basis van de kapitalistische winstformule, natuurlijke levensgoederen vervangen door kunstmatige levensgoederen. Denk bijvoorbeeld aan junkfood of ‘frisdrank’ boordevol slechte suikers. Deze kunstmatige levensgoederen, genoteerd als lG-, zijn goedkoper, sneller en in grotere hoeveelheden te maken, en te patenteren als eigendom van het bedrijf. Via reclames worden deze kunstmatige levensgoederen geassocieerd met succes, geluk, zonnige stranden, liefde enzovoorts. Kortom, ze worden wel geassocieerd met levensgroei, terwijl ze daaraan niet bijdragen.

Geld -> lG- (-) -> meer Geld

Derde aanscherping: kunstmatige bezitswensen

Een derde aanscherping van ons perspectief is dat we zien dat er een klasse goederen bestaat, die niet zozeer een levensgoed vervangt, maar waarvoor een kunstmatige behoefte wordt opgewekt. Dit is verreweg het grootste deel van de op de markt gebrachte producten. Via reclame prenten bedrijven ons in dat deze goederen iets zijn ‘dat we moeten willen hebben’. Dit beoogt de vraag uit te breiden van natuurlijke behoefte (voedsel, veiligheid, enzovoorts) naar kunstmatige bezitswens (dure apparaten, merkparfum, enzovoorts).

Sommige van deze producten kunnen bijdragen aan levenskwaliteit (G+). Maar veel van deze ‘opgewekte-bezitswens-producten’ verlagen de levenskwaliteit. Ze maken mensen tot passieve consument. Bijvoorbeeld: mensen gaan passief tv kijken in plaats van zelf actief een tekst te schrijven, een goed gesprek te voeren, of op een andere manier creatief bezig te zijn. Reclames voor deze producten willen mensen doen geloven dat het hen aan van alles ontbreekt: Je bent niet gelukkig, slim, gezond, gewild enzovoorts, als je dit product niet bezit. De tijd die mensen stoppen in deze levensverminderende producten (G-) gaat ten koste van de tijd die mensen kunnen stoppen in de dingen die het leven verbreden of verdiepen. We hebben nu oog voor levensverminderende goederen (G-), die allerlei negatieve kwaliteiten en effecten hebben:

Geld -> G- (-) -> meer Geld

Vierde aanscherping: dodelijke goederen

We hebben het tot nu toe gehad over goederen die op indirecte wijze het leven schaden. De vierde aanscherping van ons perspectief is dat er een klasse goederen bestaat die direct en intentioneel de destructie van het leven beoogt. Denk aan wapens. De wapenindustrie en -handel is financieel zeer winstgevend. De productie van wapens door het militair-industrieel complex is uitermate vervuilend voor het milieu, en het gebruik van wapens is destructief voor menselijk en (ander) natuurlijk leven, en maakt sociale en fysieke infrastructuren die leven mogelijk maken kapot.

Het zijn dodelijke goederen, genoteerd als dG (de d van dodelijk, de G van goederen). De formule ziet er als volgt uit:

Geld -> dG -> levensdestructie -> meer Geld

Naast wapens zijn andere dodelijke goederen te onderscheiden, denk bijvoorbeeld aan sigaretten. Het dodelijke karakter van sigaretten is lang ontkend. Naast goederen die van zichzelf dodelijk zijn, kunnen we denken aan goederen die de aanval op en destructie van het leven representeren. Denk aan gewelddadige films en games. Destructie van leven levert een financiële winst op. Desondanks worden alle bovenstaande vormen van levensdestructie niet onderscheiden, en onder het financiële winstgroei paradigma allemaal ‘normaal’ gevonden en niet geproblematiseerd.

Vijfde aanscherping: enkel financiële winstgroei

In het voorgaande hebben we de goederen in de kapitalistische formule verbijzonderd. We zagen allereerste dat onder de noemer ‘externaliteiten’ allerlei negatieve effecten van goederenproductie schuil gaan (-). We keken ook naar de goederen zelf. Naast positieve levensgoederen (lG+) en positieve goederen (G+), zagen we een schaduwkant in de vorm van negatieve levensgoederen (lG-), negatieve goederen (G-), en dodelijke goederen (dG).

Hoe negatief de productie en producten ook mogen zijn, in bovenstaande formules is overal sprake van de productie van goederen. De vijfde aanscherping van ons perspectief is dat we zien dat er een financiële ‘bedrijfstak’ is ontstaan waarbij in het geheel geen goederen meer geproduceerd worden en er enkel sprake is van financiële winstgroei, via ‘transacties in financiële producten’:

Geld -> meer geld -> meer geld

Dit is een exponentiële cyclus waarin van geld meer geld wordt gemaakt, zonder enige maatschappelijke en reële waarde toe te voegen. Deze cyclus van ‘de financiële economie’, krijgt onder andere vorm via valuta- en derivatenspeculatie, ‘asset buyouts’ waarbij bedrijven ontmanteld worden en alle waardevolle bedrijfsonderdelen en bezittingen te gelde worden gemaakt, en veel geld wordt verdiend via het eenvoudige mechanisme van ‘rente-op-rente’. Zo wordt een enorme geldvraag in werking gezet en een enorme schuldenlast opgebouwd. Een belangrijke vraag is dan ook hoe we de ‘financiële economie’ kleiner en weer dienstbaar kunnen maken aan de ‘reële economie’.

Literatuur

McMurtry, J. (1999), The cancer stage of capitalism, Pluto Press, London.

Scharmer, O. & Kaufer, K. (2013), Leading from the Emerging Future: From Ego-System to Eco-System Economics, Berrett-Koehler, San Francisco.

 

Dit artikel is op persoonlijke titel

Abonneer u op mijn nieuwsbrief! Wanneer een nieuwe blog verschijnt, ontvangt u per mail een attendering. U kunt u op elk gewenst moment weer uitschrijven.