Waterplanten

fonteinkruid2‘Had het ministerie van Economische Zaken maar een OIM’, verzuchtte één van de deelnemers tijdens de laatste bijeenkomst van dit orgaan. En hij had gelijk, want eigenlijk gun je elk departement zoiets.

OIM is het ‘Overleg Infrastructuur en Milieu’. Het is één van de manieren waarop het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven consulteert voor de totstandkoming van beleid en besluiten. Het overleg valt niet onder de SG, er is een onafhankelijke voorzitter aangesteld. Deze voorzitter creëert een neutrale setting waarin de deelnemers een gelijkwaardige positie hebben. Zo ontstaat een helder beeld van visies en meningen, dat vervolgens schriftelijk met de betreffende bewindspersonen en de ambtelijke top wordt gedeeld. Bij wet is vastgelegd dat het overlegorgaan bijeen komt indien ten minste vijf leden daarom verzoeken.

Voor het overleg van 22 oktober 2015 stonden twee thema’s op de agenda: de Begroting 2016 van IenM en het functioneren van het OIM als zelfstandig overlegorgaan. Ik mocht één van de dialoogtafels begeleiden. Dat was om verschillende redenen een bijzondere ervaring.

Het begon al bij de voorbereidende bijeenkomst. Misschien wat in slaap gesust door de procedures en protocollen die ik gewend ben, verwachtte ik een gedetailleerde gespreksinstructie. Maar we beperkten ons tot de essentie. Wat zijn de drie hoofdvragen, en wanneer is de bijeenkomst een succes? De verantwoordelijke manager zei daarna: ‘Hoe jullie het precies aanpakken is aan jullie. Dat zal van persoon tot persoon verschillen. Ik vertrouw op jullie ervaring. Jullie gaan er vast iets moois van te maken!’ Meteen voelde ik mij verantwoordelijk en realiseerde ik me dat ik nog even flink aan de bak moest om een goede werkvorm te verzinnen.

De ruimte en het vertrouwen passen bij de ontwikkeling die het ministerie van IenM momenteel doormaakt. IenM wil meer horizontaal, procesgericht en opgavengestuurd werken, in aanvulling op verticale sturingsstijlen. Dat vraagt van IenM-ers een open en nieuwsgierige houding.

IenM opent zich steeds verder en durft zich kwetsbaar op te stellen. Naar buiten toe, door ook de werkwijze van het OIM aan de orde te stellen en te experimenteren met nieuwe werkvormen. En van binnenuit, door mensen ruimte en vertrouwen te geven in hun gesprekken met belangrijke stakeholders.

Ik zag het ook tijdens de OIM-bijeenkomst. Rondom vijf centrale opgaven van IenM waren tal van stakeholders uitgenodigd. Innovatie ontstaat immers door kruisbestuiving van ideeën, gebruikmakend van de verschillende achtergronden van mensen. Beleidsindelingen of sectorindelingen zijn daarbij niet relevant. Het deed me denken aan een plaatje van Otto Scharmer waarin hij schetst hoe we van een stelsel 3.0, met afspraken en convenanten in deelsectoren met deelbelangen, nu steeds meer met alle relevante spelers naar nieuwe oplossingen voor het hele ecosysteem gaan kijken, een stelsel 4.0.

Levels of Awareness

‘Wie houdt zich bezig met waterplanten? Ik kan nu nergens terecht’, zei een vertegenwoordiger van de pleziervaart, die last heeft van extreme plantengroei in het water.

Laten we eens bijeenkomen en met elkaar kijken naar de belangen van recreatie, natuur en milieu. Dan komen we vast tot heel verstandige oplossingen waar iedereen baat bij heeft.

Zo zijn er meer maatschappelijke vraagstukken of innovaties die tussen wal en schip vallen omdat ze niet in een beleidsmatig of organisatorisch hokje passen. En die we oplossen als we gaan kijken en werken vanuit het geheel. Lang leve intersectorale cocreatie. En lang leve het OIM! Dát zouden meer departementen mogen doen.

Foto: Erik de Haan

We zijn levensblind geworden

levensblind

Door het geradicaliseerde neoliberale denken, in combinatie met globale structuren zoals bijvoorbeeld vrijhandelsverdragen die kapitaalstromen en multinationals ruim baan geven, worden wereldwijd sociale en ecologische waarden vernietigd. Multinationals en kapitaalstromen bewegen zich naar die plekken op de wereld waar sociale en ecologische waarden het minst beschermd zijn. De meest kostenefficiënte productie vindt plaats daar waar arbeid het goedkoopst is, en arbeidsomstandigheden en het milieu het minst beschermd zijn. Deze productie onttrekt ter plaatse de sociale en ecologische waarden. Het globale bedrijfsleven dringt binnen bij de sociale en natuurlijke gastheer, het onteigent de sociale en natuurlijke omgevingen, en neemt deze over. Het slurpt ze leeg en verarmt ze. Wanneer alle waarde is onttrokken en ‘vermarkt’, of wanneer de nationale en lokale samenlevingen beschermingsmuren optrekken in de vorm van bijvoorbeeld sociale wetgeving en milieuregels, dan verplaatst de bedrijvigheid van multinationals zich naar een volgende plaats op de wereld, waar de sociale en ecologische waarde-extractie en vernietiging continueert. De groei van financiële winsten voor aandeelhouders van multinationals heeft samenlevingen en de aarde nu uitgehold en uitgeput tot op een niveau waarop herstel bijna onmogelijk is geworden.

Dit ‘marktfundamentalisme’ zijn we normaal gaan vinden. Bij ‘de markt’ denken we aan de neoliberale globale versie van de markt, en we passen dit concept kritiekloos toe op lokale, regionale en nationale markten. Het is dit type ‘marktdenken’ dat onze gedachten stuurt, dat de meningen en visies van veel mensen bepaalt, en dat ons verblindt.

Een gesloten waardeprogramma

Er is een gesloten waardeprogramma actief, een dogma, dat ‘dé markt’ neerzet als een systeem met vaste wetten, en als een autonome entiteit. ‘De markt’ heeft zijn eigen wetten, is onfeilbaar, waardevrij en in control. De werking van de markt is onveranderbaar, het is een blauwdruk. Sterker nog, degene die stelt dat het hier gaat om een specifieke interpretatie van markten en hun werking, degene die stelt dat er ook andere typen markten zijn, en dat een andere aard van de economie wenselijk en mogelijk is, die wordt geridiculiseerd, voorgesteld als iemand met onvoldoende kennis van zaken, neergezet als naïef, idealistisch, extreem links, tegenwerkend, of ideologisch. Het fundamentalistische marktdenken bestrijdt elke vorm van kritische analyse en wijst op het onheil dat op de samenleving afkomt als we de wetten van de markt niet gehoorzamen. Dé markt geeft ‘vrijheid’ en ‘welvaart’, en is de enige optie, er is geen alternatief. Wie kritiek heeft is tegen vrijheid en tegen welvaart. Economische groei geeft werkgelegenheid en vooruitgang voor iedereen, is goed en wenselijk en wie dat anders ziet bepleit achteruitgang en en slechte, ongewenste situatie. Economische groei is het hoogste doel, en al het andere is instrumenteel: bestuur, zorg, educatie, cultuur, sociale voorzieningen, enzovoorts. Het moet zich aanpassen, flexibiliseren, klein maken, dienend opstellen en de ‘noodzakelijke hervormingen’ doorstaan. Al het andere buiten de markt is niet van waarde, en bestaat eigenlijk niet (‘there’s no such thing as society’) want het heeft geen marktwaarde en ‘kost alleen maar geld’. Afwijking van ‘de markt’ leidt onherroepelijk tot een ramp. Dus we moeten erin mee gaan (‘go with the flow’). Terwijl juist het tegenovergestelde aan de hand is. Juist doorgaan vanuit het paradigma van ongeremde financiële-winst-groei wordt de ondergang van mens en natuur en vernietigt het leven zelf.

Het economisch paradigma is levensblind

In het huidige economische paradigma bestaat de aantasting van het leven niet, want het labelt vervuiling en vernietiging van natuurlijke en sociale levenscondities als ‘externaliteiten’. Vanuit deze logica is de productie van bijvoorbeeld junkfood en wapens altijd goed, zolang het winstgevend is. De dominante economische modellen hebben enkel plaats voor geld, niet voor het sociale en natuurlijke leven. Het paradigma is ‘levensblind’. Daarom kan vanuit deze modellen nooit inzicht en bewustzijn ontstaan over de connecties tussen economische, sociale en natuurlijke waarden.

Veel beleidsteksten en rapporten gebruiken de term ‘globalisering’ en stellen dit voor als een ontwikkeling, een autonoom proces dat ons overkomt. Maar het gaat om een actief programma dat keuzes van mensen beïnvloedt om uiteindelijk alle nationale markten van sociale gemeenschappen te openen en de gehele natuurlijke omgeving ter beschikking te stellen voor financiële winstmaximalisatie.

Voor deze agenda van de globale markt is een discours ontwikkeld dat:

  1. Het begrippenkader en beeldvorming van de traditionele vrije markt benut door zich als traditionele markt te maskeren.
  2. Ter onderbouwing van de voordelen verwijst de klassieke markt zoals beschreven door Adam Smith, terwijl het deze principes schendt.
  3. Allerlei vrijheden en voordelen toeschrijft aan de globale markt, die in de praktijk als onvrijheden en nadelen uitpakken.

1. Globale markt gemaskeerd als traditionele markt

Traditionele markt Globale markt
Investeerder Integraal: investeerder = producent = verkoper Gesplitst: Investeerder ≠   producent ≠ verkoper
Product Voedsel, streekproducten op basis van natuurlijke behoefte Elk product dat verkoopt op basis van kunstmatig opgewekte wens
Productiemethode Manueel Machinaal
Verkoopinformatie Persoonlijke kennis Advertenties in             massamedia
Kopers Lokale mensen Massa overal ter             wereld
Prijs Via lokale, directe, face-to-face onderhandeling, cash Vaste prijzen, geen onderhandeling, digitaal
Verkoopplek Open ontmoetingsplek: plein, hal Winkelruimte in eigendom, of direct via magazijn
Economie Levensgroei Financiële-winst-groei

Het globale systeem met als doel financiële-winst-groei voor aandeelhouders doet zich voor als een lokaal systeem van persoonlijke productie voor medeburgers. Junkfood en niet-noodzakelijk spullen worden bijvoorbeeld gepresenteerd als noodzakelijke levensgoederen. In reclames wordt het gebruik of bezit van deze goederen bijvoorbeeld geassocieerd met levensbronnen en natuurlijke bronnen (liefde, zonsondergang, mooie stranden, gezondheid, enzovoorts.). We spreken bijvoorbeeld over de globale marktplaats, hoewel deze niet aan enige plaats gebonden is.

2. Schending van klassieke marktprincipes

McMurtry (1999) toont overtuigend aan dat de huidige globale economische orde geheel tegengesteld is aan de ‘vrije markt principes’ van Adam Smith. De globale vrije markt schendt de uitgangspunten van Adam Smith.

Adam Smith stelde namelijk allerlei voorwaarden aan de werking van markten, willen deze het algemeen belang kunnen dienen. Voorwaarden waaraan de globale markt niet voldoet.

Conditie

Schending
1. Geen monopolie of oligopolie van productie of distributie. Bij diverse typen producten en diensten is er sprake van een monopolie of oligopolie van multinationals, ondersteund en in stand gehouden door overheidssubsidies.
2. Kapitaal en financiële winsten worden geherinvesteerd in de binnenlandse productie en vloeien niet weg naar het buitenland. Financiële winstgroei voor aandeelhouders in combinatie met internationale kapitaalstromen en mondiale logistieke processen leiden ertoe dat de financiële winsten wegvloeien naar het buitenland en niet geherinvesteerd worden op de plaatsen waar de producten worden gemaakt.
3. Investeringen zijn productief en creëren reële waarde. De productie leidt tot een bepaald verkoopbaar goed dat waarde toevoegt en waarvan de waarde blijft bestaan nadat het door mensen is geproduceerd. De grootste investeringen gaan naar financiële producten, in een financiële economie, zonder dat daar enige menselijk arbeid en reële goederenproductie en waardetoevoeging aan te pas komt.
4. Geld dient enkel en alleen de circulatie van verbruiksgoederen, voorraden, materialen, en finale producten. Van geld meer geld maken is het hoofddoel geworden. Middelen daarvoor zijn onder andere de financiële handel in aandelen, derivaten en valutaspeculaties, en tal van andere exotische financiële producten.
5. Geld moet geherinvesteerd worden in productieve banen. Fusies en overnames en de ontmanteling van de publieke sector leiden tot een enorme vernietiging van banen.
 6. Belastingheffing vindt plaats naar betaalvermogen en vooral door de mensen die van de voordelen van overheidsregelingen genieten. De meerderheid van de bevolking betaalt voor de overheidsregelingen waarvan een kleine groep multinationals en internationale investeerders voordeel heeft. Grote bedrijven en zeer vermogende mensen hebben en krijgen allerlei mogelijkheden om minder tot geen belastingen te betalen.
7. Indammen en beperken van de macht van handelaren en vorsten. In de globale markt draait het om financiële winst-groei als enige en hoogste doel, zonder enige beperking.

De ‘onzichtbare hand’ is door het gesloten marktwaardeprogramma onconditioneel gemaakt en geradicaliseerd. Het is geperverteerd in het tegenovergestelde van wat Adam Smith beweerde, met als gevolg een plundering en destructie van publieke waarde.

3. Veronderstelde vrijheden en voordelen

Onder andere op basis van het werk van Friedrich Hayek is een heel raamwerk van begrippen en betekenissen ontwikkeld. Dat discours koppelt een specifieke, radicale interpretatie van de markt aan allerlei vrijheden en voordelen. Mensen zijn in dit discours gesocialiseerd en het discours zelf is ‘genormaliseerd’. Dat wil zeggen dat mensen het als waardeneutraal en ‘bewezen’ ervaren. Een andere discours vinden ze ‘ideologisch’ en ‘waardegeladen’, zonder het besef dat het huidige discours ook ideologisch is, ook een ‘frame’ is, en ook uitdrukking geeft aan waarden, hier: marktwaarden. Hieronder worden deze veronderstelde vrijheden en voordelen op basis van McMurtry van repliek voorzien. Zo ontstaat een scherper beeld van het contrast tussen de principes van de financiële-winst-groei economie en de levensgroei-economie.

Stelling vanuit de financiële-winst-groei economie Repliek vanuit de levensgroei-economie
1. De vrije markt geeft je de vrijheid om te consumeren wat je nodig hebt en wenst. Als je niet genoeg geld hebt om ‘in de vrije markt’ eerste levensbehoeften zoals voedsel te ‘consumeren’, dan ga je dood. In ‘de vrije markt’ koop je de vrijheid. Mensen zonder geld hebben geen vrijheid om te leven.
2. De vrije markt geeft je de vrijheid om goederen of diensten te verkopen tegen elke prijs waarvoor je een transactiepartner kunt vinden. De vrijheid om te verkopen geldt enkel voor mensen die niet zichzelf of hun werk hoeven te verkopen om te overleven.
3. De vrije markt geeft iedereen de vrijheid om te produceren wat ze wil. Echte vrijheid om te produceren zou betekenen dat iedereen, inclusief werknemers, de vrijheid heeft te bepalen wat te produceren en hoe dit te produceren. Maar die vrijheid is er niet. De verplichting naar de aandeelhouders, de verplichting tot financiële winstmaximalisatie, dicteert de relatie tussen producent/werkgever en werknemer. Werknemers moeten daarvoor de aanwijzingen van werkgevers/producenten opvolgen.
4. de ‘vrije markt’ voor producenten, kopers en verkopers is en moet vrij zijn van elke vorm van externe controle. De productie en uitwisseling van goederen en diensten tussen kopers en verkopers komt volledig zonder overheidsinterventie tot stand. De vrije globale markt maakt juist volop onbetaald gebruik van overheidsinterventies. Denk aan overheidsinterventies voor de veiligheid: de politie en het leger, die ook eigendommen van bedrijven beschermen. Denk aan investeringen in de infrastructuur: vaarwateren, wegen en snelwegen om goederen te vervoeren. En denk aan de beschikbaarheid van goed opgeleide mensen via investering in onderwijs, en de beschikbaarstelling van natuurlijke bronnen ter exploitatie door bedrijven.
5. De vrije markt verlaagt de kosten van productie en distributie. Kostenverlaging voor multinationals betekent kostenverhoging voor mensen, overheden, maatschappijen en het milieu.
6. Multinationals hebben lagere kosten per stuk door hun hogere investeringskracht, inkoopkracht, machineparken en enorme productievolumes. Tegenover schaalvoordelen bestaan schaalnadelen:Schaalvoordelen van multinationals duwen lokale, kleine producenten de markt uit. Bovendien leiden schaalvoordelen tot een homogenisering van productiemethoden en productaanbod. Zo ontstaat een monocultuur van producten, en uiteindelijk een ‘monocultuur van de geest’: alles gaat op elkaar lijken.
7. De markt ‘bevordert democratie’. De vrije markt als ‘democratie-bevorderaar’ wordt zelden weersproken. Er bestaat echter nauwelijks bewijs ter ondersteuning van de stelling, en veel bewijs dat het tegendeel aantoont: globale markten ontdemocratiseren.

 

Zo lang democratie zich beperkt tot verkiezingen van partijen en politici die het dominante economische paradigma van de financiele-winst-groei economie niet durven uitdagen, blijft de democratie in de ban van grote bedrijven en banken. Partijen en agenda’s worden zo overgenomen door dezelfde marktprincipes, manieren van denken en redeneren, en een kritische, alternatieve benadering -de levensgroei-economie- verstomt en ontbreekt. De crises worden te lijf gegaan met ‘meer van het zelfde’ en ‘intensiever van hetzelfde’. Waardoor de problemen verergeren, met als gevolg nog meer vernietiging van het sociale en natuurlijke leven. Het is daarom tijd dat meer mensen anders gaan kijken, denken, voelen en praten. Het is tijd dat ons bewustzijn zich naar een volgend niveau ontwikkelt. Een bewustzijn dat het sociale en natuurlijke leven centraal stelt.

 

Literatuur

John McMurtry (1999), The cancer stage of capitalism, Pluto Press, London.

Foto: Pablo Lorenzo

Voor een uitgebreidere versie van dit artikel, klik hier.

Betekenis en bekentenis

betekenis en bekentenis

‘Vandaag las ik weer het bord met prioriteiten, en ik vraag me werkelijk af wat ik hier nog zit te doen’, zei een collega uit mijn team. Op de etage waar ik werk hangt een bord met ‘de vijf prioriteiten van de directie’. Telkens als je binnen komt, of als je op weg bent naar een overleg, loop je er even langs en lees je de lijst. Een milde vorm van hersenspoeling.

Waar in het verleden het thema waaraan mijn team werkt keurig prijkte in het rijtje van vijf, doet het dat nu niet meer. De directieprioriteiten zijn een paar maanden geleden gewijzigd.
Vreemd genoeg was deze wijziging destijds van invloed op het gemoed van sommige van mijn teamleden. Ik zeg vreemd genoeg, want toen ons thema wel in het lijstje stond, kwam dit niet tot uitdrukking in corresponderende middelen. Ons team heeft menige strijd over geld en fte moeten voeren. Verwijzing naar de directieprioriteiten haalde daarbij weinig uit. (Wij vonden het wel een ijzersterk argument).

Als de relatie tussen vermelding op het prioriteitenlijstje en de toekenning van tijd, geld, fte en aandacht nagenoeg afwezig is, hoef je jezelf toch niet op te winden over het verdwijnen van je thema in het lijstje?

Maar dat is een te rationele insteek. Het gaat natuurlijk om de betekenis. Wordt het belang van ons thema herkend en erkend? Dat blijkt onder andere uit vermelding van het thema in dit soort prioriteitenlijstjes. Het is wat taalwetenschappers een ‘speech act’ noemen.

De betekenisgeving aan deze taaldaad, de gepercipieerde erkenning en waardering of juist een gebrek daaraan, wakkert de emoties aan.

Recent is de context weer gewijzigd. Op een dag tekende onze SG een nieuw organisatieharkje. Hij zag zoveel schoonheid, kracht en eenvoud om de versnippering mee te lijf te gaan, dat hij besloot een knoop door te hakken. Dit plaatje zou het worden. En laat niemand beweren dat er nu geen sprake is van versnippering.

De betekenisgeving is volop aan de gang. Gaat het hier om een staaltje ambtelijke intuïtie en lef, waarbij het geheel enkel verder komt door de collectieve sprong af te dwingen? Of gaat het om een vorm van ‘management by tekentafel’, met een gedwongen huwelijk als oplossing voor een relatie waarin het rommelt. Hoe dan ook, de mogelijkheden tot spektakel zijn zwaar onderbenut: we hadden toch minstens wat organisatiebijeenkomsten kunnen wijden aan de relatieproblemen (‘Er zijn geen problemen, maar het kan wel beter’, begon één van de partners.) Met wat sappige anekdotes, een lach, een traan, een verwijt, een bekentenis, een schreeuw, en wat onbeheerste emoties. Nu moesten we het doen met de saaie geregisseerde mededeling van de oplossing.

Ondanks het gebrek aan gesprek, geeft het harkje dat de SG getekend heeft mijn team veel energie. Misschien heeft het ook wel wat te maken met de toelichting, waaruit bleek dat ons thema nu prijkt in het prioriteitenlijstje van de minister. Dat stemt ons positief. Sterker nog, we worden misschien wel overmoedig: in onze laatste teamsessie hadden we zoveel energie dat we besloten een hardnekkig patroon te doorbreken. Als de versnippering de wereld uit gaat, dan weten wij er ook nog wel een…

Waar het om gaat? Welnu, een aantal mensen heeft eerder aangegeven dat BZK meer ‘positie’ moet krijgen in het Haagse krachtenveld.

Ik vraag mij wel eens af: hoe kunnen we ooit een positie krijgen, als we geen positie durven innemen?

Als mensen rekening met ons moeten gaan houden, moeten we wel ergens voor willen gaan en ergens voor durven staan. Er zijn allerlei mechanismen aan het werk die ons daarvan weerhouden. Tezamen vormen zij een hardnekkige patroon. Ik noem hier drie gerelateerde mechanismen.

Ten eerste is er de verandertheorie van de teamleden. Jazeker, het gaat ook over onszelf.

De meeste teamleden hebben een ‘externe veranderingstheorie’. Ik bedoel daarmee dat ze geloven dat verandering eigenlijk altijd sneller en beter verloopt als de trigger van buiten of boven komt.

Als het ministerie van EZ bijvoorbeeld beleid ontwikkelt dat gemeenten of maatschappelijk initiatiefnemers op een bepaalde manier belemmert, en wij dat onjuist achten uit oogpunt van de door ons beoogde bestuurlijke transitie, dan moeten niet wij maar anderen dat bij EZ aankaarten. Er moet politieke druk of andere druk van buiten of boven op EZ ontstaan, wil er bij EZ werkelijk wat veranderen. Druk van binnen en beneden bestaat niet.

Wellicht hebben de aanhangers van deze theorie gelijk. Tegelijkertijd is de theorie een prachtig excuus voor de eigen passiviteit.

Het zijn altijd anderen die de hete kooltjes uit het vuur moeten halen. Je hoeft zelf geen positie in te nemen en je hoeft geen moeilijke gesprekken aan te gaan. Zo versterkt en bevestigt een gebrek aan positie zichzelf. De externe verandertheorie geldt niet alleen voor andere departementen, maar ook voor interne onderdelen van BZK. In een eerdere discussie klaagde een teamlid over de ineffectieve aanpak van een ander BZK-onderdeel. Op de vraag wat hij en wij konden doen om deze situatie te verbeteren, volgde de externe verandertheorie. ‘Niet in investeren’, was zijn antwoord. Want het is hopeloos: er verandert pas wat bij druk van buiten.

Ten tweede is er ‘het tijdsargument’.

Weet je wel hoeveel tijd dat kost, al die overleggen met andere ministeries of andere organisatie-onderdelen?

Ik heb genoeg te doen, en de spaarzame tijd die ik heb, stop ik liever in mijn project. Dat is tenminste concreet en leidt wel tot resultaten in de buitenwereld. Niet lullen maar poetsen. Zeker, gesprekken aangaan kost tijd en we hebben beperkte fte beschikbaar. Die gesprekstijd moeten we dus inruimen en de benodigde fte moeten we claimen.

Maar behoort dit type gesprekken niet juist tot de kern van het werk van rijksambtenaren die zeggen leef- en systeemwereld beter op elkaar te willen aansluiten?

Stel nu dat je de eerste horde genomen hebt. Je gelooft weliswaar vooral in verandering via buiten, maar je ziet nu ook een rol voor jezelf om gelijktijdig de binnenkant mee te veranderen. En stel nu dat je, hoe druk je ook bent met allerlei andere spoedverzoeken en concrete projecten, je toch besloten hebt er tijd en aandacht in te investeren. Je gaat het niet laten gebeuren dat het ondersneeuwt in de waan en drukte van alledag! Je gaat het aankaarten, signaleren, je springt op de barricades! Dan…dan is daar de genadeklap van het derde mechanisme.

Dat is het fenomeen van de leidinggevende die geen leiding geeft.

Leiderschap is letterlijk ‘een beetje dood gaan’ en een sprong in het diepe.

Maar dat is eng. Het leidt tot ‘gedoe’ en we willen rust en orde in de tent. Dus komen er vragen over hoe groot de klif is, of de diepte en de landingsplaats wat beter in kaart gebracht kunnen worden, wat je precies met ‘sprong’ bedoelt, of het de sprong wel waard is, of je zeker weet dat de sprong het beoogde effect heeft, en of volgens de formele taakverdeling niet eigenlijk een ander behoort te springen. Wat eerst tot verzoeken om extra schrijfsels leidt, waarna de boel verzandt en blijft liggen. Er zijn immers altijd wel argumenten te bedenken om iets niet te doen.

Zo bevestigt en versterkt het derde mechanisme het eerste en het tweede mechanisme. En ontstaat een hardnekkig patroon: Investeer niet in verandering, kaart niets aan, het kost bakken met tijd en het leidt nergens toe. Er verandert pas wat via druk van buiten- en bovenaf.

Nu gaat mijn team het toch (weer) proberen: veranderen van binnen en beneden. Een nieuw harkje, een nieuw prioriteitenlijstje. Het betekent voor ons een nieuwe ronde, met nieuwe kansen. Wij spraken met elkaar af een ander patroon te volgen:

Er verandert pas wat als je zelf meeverandert. Dus we experimenteren, we leren, we communiceren en we kaarten dingen aan. We nemen en claimen daarvoor de tijd. We pakken door en we houden vol.

Minimaal tot het moment waarop het volgende prioriteitenlijstje verschijnt…

 

Foto: Dimitris Stiliaras

Autonome professionals

Autonome professionals

Als iemand zichzelf als filosoof introduceert, schept dat zo zijn verwachtingen. Toen tijdens een groepsgesprek over sociale grondrechten een filosoof het woord nam, spitste ik mijn oren. Hij sprak lang en drukte hij zich uit in allerlei abstracte en theoretische noties. Misschien wel precies zoals je van een filosoof verwacht. Ik vond het wel een interessant verhaal en wilde wel eens met hem van gedachten wisselen.

Lees verder